Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
De stadhoudersbrief: het geheim van het Vaticaan
Door Ton Biesemaat
Koop dit boek bij Bol.com

Het grootste mysterie in het leven van Prins Bernhard maar tegelijk het verhaal dat de geschiedenis van Nederland en de Tweede Wereldoorlog op zijn kop zou zetten is de beruchte stadhoudersbrief van de Prins aan Adolf Hitler. In dit onthullende betoog brengen we bewijsmateriaal dat het bestaan van de brief onderbouwt. Vier geheime agenten spelen een belangrijke rol in dat mysterie. Vervolgens onthult een vroegere agent van de Franse geheime dienst over Prins Bernhard : "…dat hij het liefst luidkeels Heil Hitler tegen Wilhelmina en Juliana had geroepen na de Duitse verovering van de Noorse ertshaven Narvik." Bovendien onthult de agent dat hij de stadhoudersbrief in handen heeft gehad en waar de brief nu bewaard wordt.


Spion nummer 1, Soltikow
SoltikowIn 1971 overlijdt Prinses Armgard zur Lippe-Biesterfeld. De begrafenis leidt de jezuïet pater Bot, hij is haar biechtvader sinds 1951. Toen zei de moeder van Prins Bernhard haar Lutherse geloof vaarwel en ging over tot het katholieke geloof. Een jaar later komt ze met haar goede vriend kolonel Pantchoulidzev in Nederland wonen op het landgoed Warmelo. In Duitsland wordt ze op de hielen gezeten door de vervelende luis in de pels van de Zur Lippe-Biesterfelds: de vroegere Abwehr-medewerker Michael Graf Soltikow. Soltikow heeft in Hamburg een opsporingsbevel wegens smaad en laster lopen tegen Prinses Armgard en haar zoon Prins Aschwin. Of dat de reden is dat Armgard zich onder de hoede liet nemen van de toen nog in Nederland machtige katholieke kerk is niet aan te tonen. Pater Bot S.J. herinnerde Armgard na haar overlijden als "Typisch une grande dame d'une époque passée." Michael Graf Soltikow is de eerste geheime agent in ons verhaal. De medewerker van de Duitse militaire inlichtingendienst had in de Tweede Wereldoorlog Prinses Armgard en haar vriend kolonel Pantchoulidzew in dienst. Prins Bernhard stond in Engeland in briefcontact met zijn familie in Duitsland via Portugal. Ondermeer een zekere mw. Vinke, die in het neutrale Portugal woonde en die zelfs een Abwehr-spion bij de Nederlandse gezant Sillem plaatste als huisbediende, stuurde de brieven van Bernhard door naar Prinses Armgard. Soltikow zorgde er voor dat de inhoud van de brieven die door de Abwehr als belangrijk voor de oorlogsvoering werden beschouwd ter kennis kwamen van de hoogste Duitse legerleiding. Al in juni 1940 terwijl de Duitsers met hun Blitzkrieg Frankrijk binnendenderen heeft de sinds 1934 al voor de Abwehr werkende kolonel Pantchoulidzew contact met Bernhard in Londen. Tussen de fronten door is er dan dus al contact tussen Bernhard en nazi-Duitsland. Na de Duitse nederlaag probeert de familie Zur Lippe-Biesterfeld, die via Prins Bernhard tot de overwinnaars van de oorlog behoort, Soltikow monddood te maken door hem valselijk te beschuldigen medeplichtig te zijn aan de dood van een officier die deel uitmaakte van het complot in 1944 om Hitler te doden. Die opzet mislukt en Prins Aschwin vertrekt naar de Verenigde Staten en zijn moeder Armgard met Pantchoulidzew naar Nederland. Soltikow was nog wel betrekkelijk eenvoudig in bedwang te houden ondanks dat de Zur Lippe-Biesterfelds smadelijk uit Duitsland moesten vluchten. Soltikow kende niet het gevaar dat als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de Zur Lippe-Biesterfelds zweefde: de beroemde stadhoudersbrief van 24 april 1942.


Spion nummer 2, Rückert
GiobbeIn het door, zo lijkt het bijna, onophoudelijke Britse en Amerikaanse bombardementen geteisterde Berlijn is bij een razzia de Nederlander Wilhelmus Josephus Rückert opgepakt. Hij draagt een vreselijk geheim met zich mee. Deze geheime agent die zich in de jaren vijftig verklaart tot de zelfbenoemde 'moordenaar van de roomsrode coalitie' moet naar Nederland terug. In een onderkomen van de organisatie Todt ontmoet hij de Leidse rechtenstudent Constant Theodoor Krol. We citeren nu uit een brief van de weduwe van Krol aan Prins Bernhard van 4 juli 2003. "Op zeker ogenblik ontmoette mijn man een Nederlandse gedetineerde die vreselijk in de put zat en die in tranen mijn man vertelde dat hij absoluut weg moest uit Berlijn, daar het anders slecht afliep met hem. Hij scheen een spion te zijn of wat daar voor door gaat en het was van zeer groot belang, dat hij terug naar Nederland kwam. Hij vertelde mijn man dat hij op jacht was geweest tot in de omgeving van Himmler, want hij had de opdracht een brief in handen te krijgen, die door U Koninklijke Hoogheid aan Hitler geschreven zou zijn. De inhoud van die brief is door hem indertijd aan mijn man verteld. Wat die brief zo gevaarlijk maakte was dat die brief niet alleen door U ondertekend was maar door nog een persoon. Deze brief zou als een bom inslaan in Nederland als deze bekend werd." De Leidse rechtenstudent is voor de duvel niet bang en weet een Duitse officiersjas te bemachtigen. Met agent Rückert aan de arm wandelt hij de poort uit waar beiden zitten opgesloten. Rückert bedankt de jonge student uitbundig en vertrekt naar Nederland. In de jaren vijftig is Rückert nog betrokken bij het afluisteren van de intriges die zich ontvouwen in het kader van de Greet Hofmans-affaire. O.a. luistert hij Prins Bernhard af als die op bezoek is bij Kees Boeke, de leider van de gelijknamige vrije school waar Beatrix en Irene les krijgen. In 1961 overlijdt Rückert aan kanker. Krol, de Leidse student, reist vanuit Berlijn naar Wenen waar zijn broer, die ook al is verwikkeld in inlichtingendienstspelletjes, getrouwd is met een adelijke dame gelieerd aan de Habsburgers. Zo komt onze student in contact met de Weense kardinaal Innitzer. Voor de als 'nazifreundlich' bekend staande kardinaal fungeert de student als koerier. Hij brengt voor hem onbekende brieven in de voering van zijn jas naar de Amsterdamse jezuïeten. De jezuïeten gelden als de ogen en oren -spionagedienst- van het Vaticaan. Het verhaal zou maar een verhaal zijn geweest als niet de vrouw van de nu overleden Leidse rechtenstudent aan uw auteur namen van een spion en een jezuïet noemde waarvan zij geen flauw benul had welke rol die in het verhaal over de stadhoudersbrief speelden.


Spion nummer 3, Gerrit Reede
GerkenDe geheime agent Rückert die uit Berlijn ontsnapte met naar zijn zeggen de stadhoudersbrief op zak heeft blijkbaar de brief overgedragen aan de topspion Gerrit Reede. Reede werkte, zo is gebleken uit een nooit gepubliceerd onderzoek van journalist Jan Portein uit de jaren tachtig, voor de Abwehr maar stond ook in contact met de Britten. Na de oorlog verdween Reede voor enkele onbeduidende vermogensdelicten in de oorlog achter de tralies. Voor zijn veel belangrijkere geheime dienst werk ten behoeve van de Abwehr werd hij echter nooit veroordeeld. In de periode dat Reede in de gevangenis zat werd hij bezocht door de sluwe Jeanette Kamphorst. Zij stond in de Amsterdamse onder- en uitgaanswereld bekend als de 'Zwarte Panter'. De Zwarte Panter kreeg via Reede aanwijzingen dat hij in bezit was van de stadhoudersbrief. Zeer waarschijnlijk is ook dat de Zwarte Panter de brief ontfutseld heeft van Reede. In de jaren zeventig woonde Jeanette Kamphorst op Mallorca en was getrouwd met de Amerikaanse advocaat Brennan. Nadat Jeanette Kamphorst overleed werd haar villa grondig doorzocht door mensen van de Stichting 40-45. Van die stichting ontving de Zwarte Panter, ondanks haar betwistbare illegale werk in de oorlog, een zeer riant verzetspensioen van meer dan honderdduizend gulden. Van het team dat haar woning doorzocht maar geen brief vond maakte in elk geval deel uit de Haarlemse ex-rechercheur Treffers die ook betrokken was bij de naoorlogse geruchtmakende Velser Affaire. De vrouw van de Leidse rechtenstudent Krol heeft in haar bezit een foto van topspion Gerrit Reede van wie zij, zo benadrukken we, niet wist wie hij was. De foto hadden zij en haar man gekregen van Rückert die dus blijkbaar Reede kende. Journalist Jan Portein die Reede nog in levende lijve heeft gekend bevestigde dat de persoon op de betreffende foto topspion Gerrit Reede is. De man die de stadhoudersbrief in bezit kreeg.


Het Vaticaan-netwerk
Rabe von PappenheimOm het verhaal van de terugkeer van de stadhoudersbrief naar Nederland verder te kunnen volgen moeten we ons verdiepen in de rol van het Vaticaan en de jezuïeten. Net zoals er contacten tussen Prins Bernhard in Engeland en zijn familie in Duitsland liepen via onze eerste geheime agent Michael Graf Soltikow was er ook nog een andere route buiten Soltikow om. Daarvoor maakte Bernhard gebruik van het netwerk van het Vaticaan. Ook de katholieke kerk zorgde er voor dat er communicatie bleef bestaan tussen de Zur Lippe-Biesterfelds. Na de Duitse inval in Nederland keerde de internuntius Paolo Giobbe, de diplomatieke vertegenwoordiger van de paus, terug naar Rome. Hij bleef in contact staan met Nederland via koeriers die door de Amsterdamse jezuïeten werden uitgezonden. Paus Pius XII probeerde gedurende de oorlog wanhopig een vrede te bewerkstelligen tussen de westelijke Geallieerden en Duitsland. In zijn ogen was het religie-vijandige communisme van Rusland een veel groter gevaar dan het Derde Rijk. De stadhoudersbrief van 24 april 1942 is waarschijnlijk via de kanalen van Paolo Giobbe en paus Pius XII in Berlijn terecht gekomen. De daar aanwezige pro-nazi internuntius Cesare Orsenigo (Pius XII was overigens ook internuntius in Berlijn geweest), die voor zijn Berlijnse periode in Nederland zat, heeft waarschijnlijk de brief doorgegeven aan de hoogste leiding van het Derde Rijk. De tweede en derde spion in ons verhaal: respectievelijk Rückert en Gerrit Reede waren beiden katholiek. Rückert heeft zich tot zijn dood bemoeid met het gezin van de Leidse student. De biechtvader van Gerrit Reede, toen hij na de oorlog al in de gevangenis zat, was de jezuïet pater Cooymans. Hij werkte onder de biechtvader van Prinses Armgard op het Amsterdamse Sint Ignatiuscollege. Journalist Jan Portein confronteerde de jezuïet Cooymans eind jaren zeventig met zijn rol in het spel om de stadhoudersbrief.


JP : "Volgens mr. Habets [red. advocaat van Reede] wisten jullie, dat de zaak Reede draaide om een brief van prins Bernhard uit 1942." Cooymans na langdurige stilte: "Heeft Habets dat gezegd?"


JP : "Ja."


Cooymans : "Ja, het is allemaal heel erg… en gevaarlijk."


Duidelijk is dat pater Cooymans van de brief en Reedes spionnenleven op de hoogte is. Maar Cooymans wordt niet alleen biechtvader van Reede. De Amsterdamse jezuïeten schuiven ook Cooymans naar voren als biechtvader van het gezin van de Leidse student Krol. Die krijgt een baan aangeboden als administrateur in hun organisatie. De jezuïeten proberen daarnaast het gezin te laten emigreren naar Peru. Waarom uitgerekend Peru? De katholieke kerk was na 1945 sterk betrokken bij het wegsluizen van nazi's naar Zuid-Amerika. Ze kon dus gebruik maken van haar goed ontwikkelde netwerk. Uiteindelijk gaat de emigratie niet door en krijgt het gezin als zoethoudertje een zeer gunstige hypotheek voor een huis in Loosdrecht. Pater Cooymans zegent als biechtvader en vertrouweling het huis in. Duidelijk is dat de jezuïeten en dus het Vaticaan met alle macht het geheim van de stadhoudersbrief beschermen. Toch is hun macht niet absoluut. Tot twee maal toe proberen onbekenden in de jaren vijftig een auto met daarin het gezin van de Leidse student en pater Cooymans van de weg af te rijden. En het gezin van de Leidse student zal tot zijn dood aan toe na het overlijden van Rückert maatschappelijk worden tegengewerkt. De bescherming van de jezuïeten is dan op onverklaarbare manier weggevallen. Over Rückert, de man die het geheim van de stadhoudersbrief mee in zijn graf nam, staat in zijn bidprentje: "Voor velen is hij een redder geweest, zonder dat ooit iemand geweten heeft, wie hij was." Generaal Rabe von Pappenheim en de Russische NKVD


In 1955 keert na 10 jaar Russische krijgsgevangenschap luitenant-generaal Friedrich-Carl Rabe von Pappenheim in de Duitse 'Heimat' terug. Op het einde van de oorlog is Rabe von Pappenheim commandant van de 97e Jägerdivisie, een infanterie-eenheid aan het Oostfront. Maar dat is niet de reden waarom de Russen hem zo lang gevangen houden. De Russische geheime dienst NKVD toont onmiddellijk belangstelling voor de generaal. De generaal is militair attaché voor het Derde Rijk in Brussel en Den Haag geweest, daarnaast vervulde hij voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol bij de Abwehr-activiteiten in België en Nederland. Hij wordt uren lang per dag verhoord waarbij de NKVD zich vooral voor zijn spionage-activiteiten interesseert. In de loop van de 10 jaar gevangenschap wordt Rabe von Pappenheim doorgezaagd door NKVD-specialisten (NKVD is de latere KGB). In zijn postuum verschenen memoires is Rabe von Pappenheim niet erg gedetailleerd in de beschrijving van zijn belevenissen. Maar hij memoreert een interessant thema waar de NKVD in geïnteresseerd is. 'Verder werd naar een oorzaak gezocht voor de onverklaarbaar korte weerstand van maar vijf dagen van het Nederlandse leger in mei 1940. Daar moesten toch zeker krachten en personen in de staats- en legerleiding geweest zijn die onder Duitse invloed stonden, waar de Duitse militaire attaché -dat was ik- toch zeker mee bekend was, als ik al niet zelfs in deze vraag een beslissende rol gespeeld had.' Of de NKVD iets te weten komt over zijn spionage-activiteiten en contacten met het Abwehr-netwerk in Nederland vertelt Rabe von Pappenheim niet, hij gaat er verder in zijn memoires ook niet meer op in. Zijn zoon, die de auteur wist te traceren, wist ook al niks over zijn vaders schimmiger activiteiten. Maar gezien de reputatie van de NKVD zal de generaal Rabe von Pappenheim niet zijn mond gehouden hebben gedurende 10 jaar durende gevangenschap.


Brunhildes verraad
Spion RDe spionage-activiteiten van Rabe von Pappenheim trokken na de oorlog niet alleen de aandacht van de Russische NKVD. In 1971 ziet de Nederlande Generale Staf - Afdeling Inlichtingen en Veiligheid - Sectie Veiligheid zich genoodzaakt een onderzoek in te stellen tegen een persoon met de codenaam 'Brunhilde', een alias voor de generaal B.R.P.F. Hasselman. 'Brunhilde' werkte in mei 1940 als kapitein op de Generale Staf in Den Haag en kon vanwege zijn positie beschikken over vertrouwelijke militaire informatie. De Nederlandse Generale Staf was gedwongen een onderzoek te starten naar 'Brunhilde' omdat de Telegraaf in 1969 een gedeelte van de memoires gepubliceerd had van de Duitse Abwehr-officier Richard Gerken. Daarin vertelt Gerken over een Nederlandse informant in militaire kringen die hem geheime informatie aanlevert. Het eerste blad van de memoires van Gerken had in 1969 de Telegraaf adjunct-hoofdredacteur J.G. Heitink achter gehouden. Op dat eerste blad was de naam van de informant weggelakt. Heitink ging met die bladzijde naar Anne Snippe die in 1970 van de Amsterdamse politie-inlichtingendienst was overgekomen naar de eigen inlichtingen- en veiligheidsdienst van de Telegraaf. Die privé-inlichtingendienst van de Telegraaf was in het leven geroepen nadat in de roerige jaren zestig het Telegraaf-gebouw was bestormd door opstandige bouwvakkers. Aanleiding tot de bestorming was de overigens terechte berichtgeving van de Telegraaf over de dood bij een demonstratie van een bouwvakker door een hartaanval. De 'geheime dienst' van de Telegraaf werd geleid door een ex-BVD medewerker genaamd van Kleef. Deze zou later om het leven komen doordat hij met zijn auto tegen een boom aanreed. Het Telegraaf-duo Snippe en Heitink weet te achterhalen dat voor Brunhilde hoort te staan Hasselman. Ze willen overgaan tot het publiceren van de naam Hasselman als de grote verrader binnen het Nederlandse militaire hoofdkwartier in de meidagen van 1940. Die publicatie wordt echter van hoger hand tegengehouden. O.a. de familie De Koster die destijds een minister van Defensie leverde (en vriend van Prins Bernhard) en belangen in de Telegraafgroep bezat hield publicatie tegen. Daarnaast werd dr. L. de Jong van het RIOD (nu NIOD) in stelling gebracht. Die concludeerde dat generaal Hasselman onschuldig was want Richard Gerken was ondermeer een notoir onbetrouwbare figuur met een slechte naam binnen de Duitse inlichtingendienst. Die conclusie van De Jong is echter flauwekul. Gerken was een belangrijke man binnen de Duitse contraspionage (Bundesverfassungsschütz) in de Koude Oorlog. Hij was notabene bij de Duitse contraspionage de man die in de jaren vijftig aangewezen werd om de eerste nieuwe contacten met de BVD te onderhouden. De Sectie Veiligheid van de Generale Staf die met haar Duitse collega's de dan al oude generaal b.d. Rabe von Pappenheim verhoort vind wel degelijk aanwijzingen voor het verraad van Hasselman. Rabe von Pappenheim erkent zelfs dat Brunhilde, het alias van Hasselman, voor de Abwehr werkte. Ook is het oordeel van de Sectie Veiligheid van de Generale Staf, na twee verhoren van Hasselman, uitgesproken negatief. Toch gaat ook bij de Generale Staf het onderzoek in de doofpot. Ook de BVD die Hasselmans loopbaan en vermeende naoorlogse spionage voor het Oostblok onderzoekt stopt het onderzoek in de doofpot. Want als de generaal Hasselman wordt ontmaskerd als verrader van de meidagen 1940 dan kunnen er ook andere koppen gaan rollen. Eén van die koppen is dan de inspecteur-generaal Prins Bernhard. Dat mag niet gebeuren en daarom laat adjunct-hoofdredacteur Jan Heitink van de Telegraaf de zaak rusten en vertrekt Anne Snippe bij dit dagblad. Hij probeert de zaak verder te onthullen maar stuit op een muur van onverschilligheid en zwijgen.


Agent in dienst van de Franse republiek
Het in de doofpot stoppen van de Hasselman-affaire zit Telegraaf adjunct-hoofdredacteur Jan Heitink niet lekker. Voor zijn adjunct-hoofdredacteurschap was hij correspondent voor de Telegraaf in Parijs. Maar hij was niet alleen journalist, de Franse geheime dienst had hem gerecruteerd om o.a. Nederlandse communisten in Frankrijk in de gaten te houden. In 1981 als Heitink al adjunct-hoofdredacteur is brengt hij een bezoek aan het hoofdkwartier van de Franse inlichtingendienst. 'La Piscine' heet het hoofdkwartier voor insiders en Jan Heitink is een insider. Hij spreekt met het hoofd van de sectie Benelux. Heitink wilde gezien zijn Hasselman-onderzoek wel eens meer weten over de geruchten rondom Prins Bernhard. Sinds de Lockheed-affaire van 1976 zo'n gat in het imago van de prins heeft geslagen is alles mogelijk. De eerste zet in de berichtgeving over de stadhoudersbrief wordt overigens gezet onder het bewind van Heitink door onderzoeksjournalist Henk de Mari die als eerste in de Telegraaf publiceert over het verhaal van de stadhoudersbrief. Henk de Mari werd door beter wetende Telegraaf-kringen niet ingelicht over de 'brief der brieven zodat het verhaal in de Telegraaf werd afgedaan als een cowboyverhaal. In het kielzog van dat Telegraaf-artikel publiceerde journalist Jan Portein in 1978 in de Nieuwe Revu twee opzienbarende artikelen over de stadhoudersbrief waarbij de toen nog in leven zijnde topspion Gerrit Reede werd opgevoerd. Ten tijde van de abdicatie van koningin Juliana in 1980 kwam Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen daar nog overheen met de ontboezemingen van Soltikow. Beide artikelenreeksen stierven uiteindelijk een stille dood. De bescherming van Prins Bernhard door de mainstream media in 2004, zoals de grote kranten Telegraaf en Volkskrant, voltrok zich ook al van 1976 t/m1980.


De vondst van de stadhoudersbrief
Heitink krijgt op het hoofdkantoor van de Franse geheime dienst de schrik van zijn leven. Men laat hem volgens een op 2 juni 2003 ondertekende verklaring van Heitink zelf (die in het bezit van de auteur van dit artikel is) de stadhoudersbrief zien. Die stadhoudersbrief is ondertekend door Juliana en Bernhard. De brief is niet groter dan een A5 -een kattenbelletje- met het logo van de prins er op voorgedrukt. In latere gesprekken in 2003 bevestigt Heitink keer op keer dat hij de stadhoudersbrief op het hoofdkantoor van de Franse inlichtingendienst heeft gezien. Daarnaast heeft hij zelf ook volgens zijn verklaringen een kopie van de brief in zijn bezit gehad. Tijdens mijn gesprekken met Heitink bleek dat hij nog steeds in nauw overleg stond met de huidige Telegraafredactie. In etentjes met Johan Oldekalter -de toenmalige hoofdredacteur- en het destijds royalty verslaggeversduo Joost de Haas en Jan-Kees Emmer werd de oude ex-agent van de Franse republiek steeds verder onder druk gezet zijn voor mij ondertekende verklaringen terug te trekken. Helemaal lukken wilde dat niet. Zo hield de vroegere Telegraaf adjunct-hoofdredacteur nog steeds vast dat hij de stadhoudersbrief heeft gezien. In een ondertekende verklaring van 4 maart 2004 heeft hij het over: "Ik heb "stadhoudersbrief" wel een keer eerder gezien, vermoedelijk van een Franse of Amerikaanse diplomaat, met contacten bij de Franse of Amerikaanse inlichtingendiensten." Dus dan onder druk van de Telegraaf niet meer bij de Franse inlichtingendienst te Parijs, in 'La Piscine'.


Heitink over Soltikow en de CIA
Die eerste verklaring van Heitink van 2 juni 2003 gaat ook over het advies van de Franse inlichtingendienst om eens in die dagen in 1981 te gaan praten met Michael Graf Soltikow. De luis in de hermelijnmantel van het Oranjehuis. De Franse inlichtingendienst heeft duidelijk een hoge pet op van de kwaliteiten van de in Zuid-Frankrijk residerende Abwehr-spion. Overigens net zo'n hoge pet als de vaderlandse BVD. Die torpedeerde de verschijning van een artikel van de schrijvende Abwehr-spion in de Duitse 'Illustrierte' Quick. Publicatie zou de reputatie van het Oranjehuis geen goed hebben gedaan. In het boek 'In dienst van de BVD' van de hand van de oud-BVD'er Frits Hoekstra wordt de reputatie van Soltikow binnen de inlichtingendiensten ook erkend. Heitink gaat in gezelschap van een Franse veiligheidsdienstagent (Rens. Généraux) met Soltikow praten. Daar kreeg hij brieven van Bernhard aan zijn moeder te zien die Soltikow onderschept had. Heitink: "…en een brief (d.d. begin april 1940) waarin hij na de val van de Noorse ertshaven Narvik, een maand voor Nederland werd aangevallen, zijn vreugde over die val uit. Hij had n.l. gevreesd dat Narvik niet veroverd zou worden, en dan schrijft hij "dat hij nu het liefst voor beide vrouwen (kon. Wilhelmina en prinses Juliana) luidkeels "heil Hitler" zou hebben geroepen." Een spectaculaire uitspraak maar Soltikow was echter nooit op de hoogte van de stadhoudersbrief van 1942. Wel wist hij alles van het stadhoudersplan in de periode september 1939 - mei 1940 dat een hersenspinsel was van de voor de Abwehr werkende kolonel Pantchoulidzew.


De ondertekende documenten van Jan Heitink, gepokt en gemazeld in de inlichtingendienstwereld van de jaren zestig, zeventig en tachtig hebben nog een opmerkelijke 'uitsmijter'. In 1982 werd hij gebeld door een bevriende relatie van de CIA die hem vertelde dat de "Holland-papers in our archives will be free on march, the 17th of march, 2008, provided Juliana&Bernhard will be dead then for 3 years, otherwise it will last a little."


…. "It will have certainly consequences. We are not amused to do so, but it will be impossible to keep our mouths forever shut."


Nawoord:
Dit is een bewerkte versie van een tweedelige serie artikelen die verschenen in Must Magazine en als hoofdstuk in 'Bernhardgate - Zwarte bladzijden uit het leven van de Prins der Nederlanden'.


Maart 2008 hadden dus ergens CIA-documenten volgens Jan Heitink geopenbaard moeten worden over de rol van Prins Bernhard. Een Volkskrant-journalist vroeg me voor die tijd of ik er vertrouwen in had dat die documenten openbaar zouden worden. Nee dus. Ik antwoordde hem dat ik aannam dat geheime diensten dit soort stukken niet zo maar publiek maken. Dat een CIA 'station manager' dat dacht en kenbaar maakte aan zijn 'collega' Jan Heitink wil nog niet zeggen dat het ook uitgevoerd werd. De Volkskrant-journalist gaf ik nog het telefoonnummer van Heitink zodat hij mijn verhaal kon checken. Even later belde hij verbaasd terug. Heitink had mijn verhaal over Soltikow en de stadhoudersbrief bevestigd. Dat verbaasde mij niets, de werknemer van Prins Bernhard-fan Pieter Broertjes wel. Geheim agent en adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf Jan Heitink overleed op 20 maart van dit jaar op 87-jarige leeftijd. Hij had in elk geval op het nippertje zijn geheim niet mee in het graf genomen. Mundus vult decipi, ergo decipiatur.


Plaats een reactie
 
naam
e-mail
Commentaar
 
  Maak de som af: "drie plus een is"   
 


republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander