Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
Boekbespreking: Eric Palmen, Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam. Volk en verlichting in de 18e eeuw. Amsterdam 2009
door Kees Lafeber

Kaat MosselEr waren in de tweede helft van de 18e eeuw, zo werd ons vroeger op school geleerd, vijf politieke groeperingen, die om de in de persoon van de stadhouder belichaamde staatsmacht vochten. De eerste groep bestond uit regenten, de vooral uit de koopmansstand voortgekomen bestuurders van publieke lichamen en instellingen, die door belangen, vriendschappen en huwelijken aanvankelijk een min of meer gesloten kaste hadden gevormd en mede daardoor in staat waren geweest de belangrijkste baantjes onderling te verdelen.


Aan alle kanten hadden dezen zich te verweren. In de eerste plaats tegen stadhouder Willem IV, die als gevolg van volksbewegingen in 1747 zowel in Holland-Zeeland als in de generaliteit machtiger was geworden dan wie van zijn voorgangers ook. Met die macht, zo meenden zijn aanhangers, zou hij het land bevrijden van de 'tyrannie' der regenten: hij moest 'de ziel der regeering worden, alsmede een hulpmiddel tegen de ingeslopen misbruyken, een steunsel der wetten en schrik der overtreders'. Met de oranje- of prinsgezinden is de tweede politieke groepering genoemd.

Zowel Willem IV als zijn zoon Willem V (1751-1795), die met graagte het hun in de schoot geworpen grotere gezag accepteerden, waren echter totaaal blind voor de nood van het volk, die mede een gevolg was van de buitenlandse verwikkelingen (tot 1748 met Frankrijk en daarna met Engeland). Het helder zicht op de partijpolitieke tegenstellingen verdween door de opkomst na 1748 van een nieuwe democratische beweging, die van de patriotten, burgers die onder invloed van verlichte Franse en Engelse schrijvers zeggingschap in de regering opeisten. Terwijl de oranjepartij een min of meer sterk cultureel, kerkelijk en staatkundig blok - met de schutterijen als politieel machtsmiddel - bleef vormen, vielen zowel de regenten als de patriotten in twee groepen uit elkaar. Er waren regenten die in hun strijd tegen Oranje in sommige patriotten een bondgenoot zagen en er waren regenten die liever nu dichter bij Oranje aanschurkten om aldus beider positie - die van de stadhouder en van hen zelf - te kunnen handhaven.

Gingen de zgn. aristocratische patriotten op de toenadering van de regenten met graagte in om de door hen noodzakelijk geachte hervormingen in het staatsbestel doorgevoerd te krijgen en misschien om zelf ook een plaatsje op de kussens van de vroedschap te kunnen bemachtigen of een oranje-lintje te krijgen, de demokratische patriotten weigerden hun burgerlijke signatuur te verloochenen en stelden hun vertrouwen in exercitiegenootschappen, die naar het model van de vrijwillige Amerikaanse burgermilities waren opgericht. Als gevolg daarvan groeiden de aristokratische patriotten en de prinsgezinden naar elkaar toegroeiden. Met enige huiver vermeld ik ook nog dat diegenen die in 1747 Willem IV aan de macht geholpen hadden, patriotten werden genoemd, evenals in 1780 bij het uitbreken van de 4e Engelse oorlog diens tegenstanders.

Deze inleiding is bedoeld om de lezer uiteen te zetten hoe ingewikkeld de politieke verhoudingen waren in de tijd dat Kaat en Keet en Schele Griet zich een plaatsje in de geschiedenisboeken verwierven. Wie mijn relaas te gecompliceerd vindt, zij getroost met de gedachte dat het in werkelijkheid allemaal nog veel moeilijker lag: in elk gewest en in iedere stad lagen de verhoudingen en de bondgenootschappen anders en klopt er weinig van het hele schema. Geschiedenis is een moeilijk vak.

In de saaie en moeizaam begaanbare woestijn die de Patriottentijd is, is het boek van Erik Palmen als een oase, verademing, een verkwikkende maaltijd, waaruit ik de lekkerste mosselen geselecteerd heb.

De auteur, gevormd in de vakgroep maatschappijgeschiedenis van de Erasmus Universiteit verdeelt de Rotterdamse geschiedenis(1783-1787) in zeven hoofdstukjes, welke indeling ik in deze recensie niet overneem. Centrale figuur is Catharina Mulder (* 1723), sinds haar huwelijk woonachtig in de Zwanensteeg in het Achterklooster, de armste achterbuurt van Rotterdam. Volgens een (patriottistisch) tijdgenoot waren de bewoners 'lage zielen, oproermakers, flikflooiers, die als zij maar te zuipen en te vreten en wat geld van sommige laffe groten in de hand kregen gestopt, zwart wit en wit zwart noemden en hun eigen vaar en moer zouden verraden'.

Mulders beroep was keurvrouw van mosselen - tevens ordehandhaafster - op het distributiepunt aan de Spaansekade waar iedere ochtend de vissers uit de Zeeuwse wateren aanmeerden en de ventsters zich verzamelden om de mosselen van daar uit aan de man te brengen, maar niet nadat Kaat de lading had goedgekeurd. Geestig noemt Palmen haar de Rotterdamse 'voedsel en warenautoriteit op het gebied van mosselen'. Omdat Kaat zelf ook mosselen verkocht aan de rijkere prinsgezinde burgers, werd zij ervan verdacht te hebben meegewerkt aan de orangistische rellen van 8 maart 1783, de verjaardag van stadhouder Willem V. Ieder jaar werd dat feest gevierd met illuminaties, oranje strikken en linten - naar de vraag waarvan het armetierige volk deze betaalde, heeft een latere Staten-commissie een onderzoek ingesteld - en met her en der een vechtpartij. Wie te weinig oranje droeg of de insignes op de verkeerde plaats had zitten of geen oranjepas bij zich had, werd geïntimideerd of metterdaad in de gracht gegooid. Vooral bakkerswinkels werden geplunderd. Feestgangers trokken rijke burgers de pruik van hun hoofd en namen hen letterlijk bij de neus. Wie geen geld gaf, kreeg gezelschap van een aantal springende vrouwen die een ereboog met oranje linten boven zijn hoofd hielden. De autoriteiten deden weinig of niets tegen de feestende horden.

In 1783 werd het feest uitzinnig gevierd en was de onrust groter dan ooit. Enkele dagen tevoren waren enkele 'staatsdames' bij Kaat en haar vriendin Keet Zwenke gesignaleerd, waarbij ook de Calvinistische dominee Petrus Hofstede -'malle Piet' - was gezien, die voortdurend God ervoor dankte dat Hij de stadhouders putte 'uit het edele geslacht van de Oranje-Nassaus' en voor wie de patriotten valse profeten waren. Óverigens hadden ook de patriotten een eigen predikant, die uiteraard tot diezelfde publieke kerk behoorde.

De vraag of bij de onlusten van 8 maart ook politieke gebeurtenissen een rol speelden is nauwelijks te beantwoorden, al is het wel duidelijk dat na 1780 zowel de - rampzalig verlopende - 4e Engelse oorlog als Willem V doelwit waren van een 'verbeten' pennestrijd in de opiniepers. Zeker was dat het Rotterdamse volk in zijn geheel niet overliep van oranjegezindheid. Natuurlijk werden ook in Rotterdam 'de gloriedagen van het Oranjehuis' bezongen en hadden de oranjeklanten er 'het prinsje lief'. Maar, zo relativeert de auteur, dat gebeurde deels op grond van een aanmatigend soort ontzag voor de quasi-monarchale allure van de Oranjes of vanwege de rol die deze familie voor 'land en kerk' had gespeeld. Daartegenover stond weer het getuigenis van een andere Rotterdammer: 'of mijn vader nu een braaf man was, ik ben een schurk' .

Op 11 maart 1783 - drie dagen na de verjaardag - verzochten ruim 100 Rotterdammers de vroedschap een vrijkorps te mogen oprichten. Zij waren goeddeels uit de koopmanselite afkomstig naast representanten van de vrije beroepen (brouwers en branders) en enkele academici (medici, notarissen en een jurist). Opvallend is het grote aantal dissenters (katholieken en remonstranten). In de patriottische pers waren de 'schandelijk verlopen'gebeurtenissen van 8 maart 1783 - evenals destijds die tijdens het Haagse Sinterklaasoproer van 1782 - breed uitgemeten. Als remedie bevalen de patriotten de harde aanpak van het canaille aan door alom in het land vrijcorpsen op te richten en de bestaande schutterijen te revitaliseren. Joan Derk van der Capellen, vader aller patriotten, had al in de nacht van 25/26 september 1781 in zijn overal in de republiek verspreid pamflet 'Aan het Volk van Nederland' gefulmineerd tegen de politieke en militaire invloed van het Oranjehuis, tegen welks dwingelandij slechts één middel bestond en wel: 'wapent u allen tezamen'. Zo deden het vroeger onze schutters, zo doen het de Zwitsers en zo doen de Amerikanen het ook.

In november 1783 zou het Rotterdamse vrijkorps voor het eerst in zijn prachtige uniformen en met blinkende bajonetten door de straten marcheren. Het was de wraak voor de schandelijke beledigingen en molestaties door de orangistische relschoppers van acht maanden geleden. Naast deze vrijkorpsisten marcheerden ook opgekalefaterde gemeentelijke schutters mee, die even fraai uitgedost waren. De aanwezige omstanders - evengoed als de huidige historici ! - wisten nu niet meer wie er in die prachtige pakken schuil gingen.De verwarring was soms te groter omdat sommige schutterscompagnieën ook de bajonet voerden en gecommandeerd werden door patriotse officieren.

De vraag was wat er op de eerstvolgende prinselijke verjaardag - 8 maart 1784 dus - zou gebeuren. Die dag zelf bleef het tamelijk rustig op een opstootje en wat molest na. De volgende dag echter was het raak: een compagnie marcheerde nogal provocerend langs door orangisten bewoonde huizen. De dag daarna sloegen de prinsgezinden terug en verhinderden in de Prinsenstraat de compagnie de doorgang: 'wij gaan voor de donder niet weg, gij moet terug, Oranje boven en het vrijkorps naar de donder'.In de avond sneuvelde ook een ruit en werden de officieren bij het verlaten van hun logement begroet met een 'ijzingwekkend gejoel'. Het Wilhelmus werd ingezet. Tijdens de mars werd de compagnie onder de voet gelopen. Toen er geschoten werd, kozen zowel de marcheerders als de demonstranten het hazenpad.

Eind maart waarschuwde de magistraat via de stadsbode achter het stadhuis dat opstootjes voortaan met lijfstraffen zouden worden gestraft. De aanwezigen reageerden met een 'sarcastisch hoezee'.Dezelfde avond besloten de schutters voortaan geweld met geweld te beantwoorden. Er dreigde nu een heus oproer van - in de patriotse terminologie - 'oproerig kabaal',''muitzieke menigte', 'dulle grauw', 'woest canaille' of 'wild gepeupel'.

Een door bijna 500 orangisten ondertekend rekest aan de magistraat om het vrijkorps te ontbinden werd een voorwerp van grote agitatie. Patriotten spraken van een 'zoopjesrekest', omdat de ondertekenaars in de Stadsdoelen verleid waren met een borrel. De naamlijsten van dit 'schuim der natie', die al snel gedrukt en verspreid werden, veroorzaakten eveneens veel schriftelijke commotie. Het ene geschrift haalde het andere uit. Collectief petitioneren als een vorm van politieke agitatie! Palmen heeft de moeite genomen aan de hand van trouwboeken, notariële akten en belastingcohieren na te gaan uit welke hoek al die rekwestranten kwamen. Hij kwam tot de conclusie dat de partijstrijd tussen patriotten en orangisten een uitgesproken wijkgebonden karakter had .

Ook het straatgeweld escaleerde, waarbij de acties van het Oranjevolk vooral gericht waren op gezichtsverlies van de schutters en vrijkorpsisten. Het hand in hand dansen van de vrouwen verstoorden de stramme exercities, haar beledigingen en spot waren gericht op de zwarte uitdossing. Kaat hoopte dat het bij de volgende exercitie zou regenen 'of het met bakken uit de hemel gegoten werd en niet alleen water maar ook stront'. Op de admiraliteitswerven pleegden de Bijltjes allerlei zottigheden: met oranje strikken op. Ze bootsten korpsen en schutters na, ieder met een stok over de schouder, de een dragende een oranje vaandel, een ander een leeg biervat en weer een ander een ijzeren plaat, waarop met een hamer geslagen werd. Op hun beurt vierden de patriotten het verbod op het dragen van oranje insignes met schertsbegrafenissen. De heren van de wet in Rotterdam waarschuwden tegen het afscheuren en besmeuren met drek van hun publikaties. Toen het dragen van oranje verboden werd, werden er oranjepeen en oranje lelies op de markt gebracht. Schele Griet verkocht oranjemosselen en oranje selderij.

Zaterdag 3 april was een zwarte dag. Een compagnie maakte het vertrouwde rondje langs de notoire Oranjeklanten, op welke route orangistische relschoppers kaaskraampjes en mosselwagens hadden geposteerd en straatstenen hadden klaar gelegd. Er was een enorme volktoeloop. Op het moment dat het raadhuis aan 'baldadig grauw' ten prooi zou vallen, werd het vuur geopend. Onder de menigte vielen zeven zwaargewonden van wie er vier overleden Een van hen, een zekere Flaman, behoorde tot de kennissenkring van Kaat. Onbekenden deden het aanbod de man in de Grote Kerk te doen begraven met negen koetsen, het luiden der klokken en een oranjevlag op de baar plus nog eens duizend gulden. De familie Flaman koos echter voor 300 gulden gemeentelijk smartengeld. Volgens buurtgenoten waren Kaat en Keet immer de leidende figuren in de collectieve aanhankelijkheidsbetuigingen aan de stadhouder. Keet had allerlei oranjeprullaria als lintjes en strikken uitgedeeld. Anderen hadden gedrukte versjes en 'prinsenliedjes' - 'Wie zou ook niet vrolijk wezen' - verspreid. In september 1784 werd Kaat, die toen al enkele weken gevangen zat, op het stadhuis verhoord voor haar vermeend aandeel bij de gewelddadige confrontaties. In de patriottische pers verschenen spotprenten over haar en Keet, die als de aanstichtsters van de orangistische rellen werden aangemerkt. Zelfs de oranjeklant Bilderdijk - Kaats advocaat - noemde Mossel 'een ruw gemeen wijf' en de fruitvrouw Clasijn Verrijn 'een jonge wilde meid, onnozel en gemeen als Kaat Mossel'. Zelfs in de kerkers van het stadhuis bleven de vrouwen op verjaardagen van hun oranjegezindheid getuigen.Volgens Kaat zelf had zij sinds 1748 geen gelegenheid laten voorbijgaan de prins eer te bewijzen door erebogen te stellen, kronen te hangen en kaarsen te branden. Het drinkgeld kreeg in de optiek van de ondervragers de allure van een heuse omkoping.

Naast Kaat - 'stadhouderes van het grauw' - was Hofstede meest gehate orangist.'Zijne wel Eerwaarde professor' Hofstede - ook wel 'oranjes troetelkind', 'professor hoveling ', 'de farizese kwijlbaard' of 'monsieur schijnheilig'genoemd - kreeg van Jan Klaassen in diens 'Marionetten Spel' het advies: 'om onder Kaat Mossel haar rode baaien rokken te kruipen, waar hij hij warm zit en dicht bij de werken'.

Een jaar later - 3 september 1785 - eiste de hoofdofficier tegen Kaat publieke geseling en brandmerking, gevolgd door een gevangenschap van 10 jaar in het tuchthuis en eeuwige verbanning uit Rotterdam. Bilderdijk tekende hoger beroep aan. In 1786 werd Kaat naar Den Haag overgebracht, waar haar zaak voor het Hof van Holland zou dienen. De onderzoekscommissie van de Staten beschuldigde burgemeester Van der Heim de hoofdschuldige, zo niet de aanstichter van de onlusten te zijn geweest. Als gevolg van dit rapport drongen patriotse afgevaardigden op 23 apri 1787l de vroedschapskamer van het stadhuis binnen, met welke wetsverzetting een einde kwam aan de orangistische heerschappij. Een tijdelijk einde. Willem V wenste zich niet neer te leggen bij een ceremonieel stadhouderschap dat de Staten voor hem in petto hadden. Op 20 september 1787 - dezelfde dag waarop Willem feestelijk in Den Haag verwelkomd werd, veroverden 200 Pruisische huzaren Rotterdam en vaagden de patriotten weg .Holland betaalde een half miljoen voor de Pruisische oorlogskosten. En Kaat Mossel? Het Hof heeft nimmer vonnis gewezen. Zij weigerde gebruik te maken van de algehele amnesie voor de orangisten die zich voor de zaak van de stadhouder hadden ingezet. Kaat was zich van geen schuld bewust en behoefde h.i. dus ook niet te worden gepardonneerd. Zij werd vrijgelaten en kreeg haar functie terug.

Hoewel er op Palmens boek structureel en inhoudelijk wel het een en ander valt aan te merken, staan er voor 21e eeuwse ook niet-Rotterdamse republikeinen interessante bijzonderheden in vermeld, reden waarom ik het aanbeveel en wel van harte.


Plaats een reactie
 
naam
e-mail
Commentaar
 
  Maak de som af: "twee min een is"   
 


republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander