Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Zeer ware geschiedenis van de jaren 1795-1815, deel 4
C.V. Lafeber

Geen door Van Amsberg-Lubbers-Balkenende geautoriseerde, niettemin zeer ware geschiedenis van de jaren 1795-1815

DEEL 4: DE ESCAPADES VAN DE VOORMALIGE STADHOUDERLIJKE FAMILIE IN HET BUITENLAND (1795-1802)

I. Frederik en het rassemblement van Osnabrück

De naar Engeland gevluchte stadhouder, die zijn functies in de Republiek niet had neergelegd was - hoe verlangend ook in 1795 naar zijn Nassause erflanden te gaan - zich ervan bewust dat aan een verblijf in Duitsland ook grote nadelen verbonden waren. De Pruisische koning had immers gekozen voor de nieuwe realiteit van 1795 en was niet meer geïnteresseerd in een anti-Franse coalitie. Willem, toch al geen persoonlijke vriend van zijn zwager Friedrich Wilhelm II wist dat hij ook diens politieke sympathie kwijt was. Bovendien was het de vraag hoe lang Oranje veilig in Duitsland zou zijn. Eens zouden de Franse legers immers de Rijn gaan oversteken.

De Dom van Fulda

De Dom van Fulda

Toch was het algemene bewustzijn dat vanuit Duitsland de vlam der contrarevolutie beter brandend gehouden kon worden dan vanuit Engeland. Willem had in Duitsland enkele nogal dubieuze agenten zitten, die bij tijd en wijle in het vaderland lieten weten dat zij paraat waren om vanuit het Oosten het vaderland te bevrijden. Zo gonsde in juli 1795 het gerucht dat zij een aantal militairen rond zich hadden verzameld om samen met een Pruisisch leger de oude toestand te komen herstellen. Op Willem werd een dringend beroep gedaan zelf naar Duitsland over te komen. De oude stadhouder was daartoe niet in staat en stuurde, omdat hij weer eens met de 'erfprins' hopeloos overhoop lag, zijn tweede zoon Frederik er op af. De jongeman (geb. 1774) had dan wel geen benul van militaire zaken, maar dat is in dit soort families nooit enig bezwaar. Vader was erfelijk kapitein- en admiraal-generaal van de strijdkrachten, al zijn diens indrukwekkende militaire prestaties nimmer te boek gesteld. Frederik verzamelde in 1796 ongeveer 1800 man, van wie 600 officieren1 om het vaderland te komen bevrijden. Afgezien van het feit dat dit zogenaamde rassemblement van Osnabrück2 veel te klein en onsamenhangend was, had het geen geld, geen transportmiddelen en geen wapens.

Bovendien was in de Republiek Daendels alert geworden. Deze onvervaarde krijger wilde met zijn nauwelijks gevormd leger tegen Osnabrück en desnoods ook tegen de koning van Pruisen, die met het hele avontuur niets te maken wilde hebben, optrekken en deze aan het zwaard rijgen. Het bleef er echter bij dat Daendels alle militairen tot een anti-Oranje-eed verplichtte, terwijl de Bataafse Republiek haar grenzen sloot en met zware straffen elke potentiële overloper de stuipen op het lijf joeg. Overigens bestaat niet de indruk dat de Nederlandse bevolking met de herinnering aan de Pruisische, Oostenrijkse, Staatse, Britse en Franse militaire schavuiten stond te popelen van ongeduld om nu weer door een nieuwe groep bondgenoten te worden bevrijd. Het avontuur met het rassemblement verliep snel (1796).

II. Ruzies tussen vader en zoon

Dat Willem V met zijn oudste zoon Willem voordurend in de clinch lag is al gememoreerd. Natuurlijk gelooft elke orangist van kindsbeen af dat het immer pais en vree in de paleizen was en dat kwaadwillende historiografen er maar wat op los schrijven. Onloochenbaar is echter het feit dat Willem V en zijn oudste zoon bijna constant op voet van oorlog hebben verkeerd. De eigenzinnige en zeer eerzuchtige erfprins verweet zijn vader 'titel noch jota' van zijn tijd te begrijpen, terwijl de steeds indolenter wordende oude heer geen dag voorbij liet gaan zonder kritiek op de moderne gedachten, ambities en vrienden van zijn zoon3. Voor de erfprins, die gehuwd met zijn volle nicht Wilhelmina, dochter van Friedrich Wilhelm II, lag diens politieke heil in Duitsland, waar hij in contact kwam met de aartsintrigant hertog Karl Wilhelm Ferdinand van Brunswijk – 'Europa's eerste betweter' – die aan zijn hof een 'intellectuele' kring had verzameld, 'une société d' admiration mutuelle'4. De erfprins werd er gevierd als een van de zuilen van het nieuwe Europa. Het contrarevolutionaire gezelschap bedacht o.a. plannen voor de bevrijding en vereniging onder het oranjehuis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Willem sprak in Brunswijk met uitgeweken Belgische edelen en geestelijken, die in eerste instantie herstel van het Oostenrijkse ancien régime bleken te beogen. Alleen voor het geval dat Wenen niet in hen geïnteresseerd was, zagen zij in oranje een mogelijk substituut5.

Het is begrijpelijk dat vader Willem en zijn vrouw het jonge gezin niet met een gerust hart naar Duitsland hadden zien vertrekken. Aan die reis zijn dan ook veel boze woorden voorafgegaan. Op analoge wijze als zijn broertje, wilde ook de erfprins in onderhandeling treden met de regering van Pruisen, en via deze vervolgens met die van Frankrijk. Koning Friedrich Wilhelm II en de hem in 1797 opvolgende zoon Friedrich Wilhelm III vonden de Nederlandse erfprins realistischer dan diens vader, die alleen maar zeurde over herstel van het stadhouderschap in de oude vorm. Willem sr. had echter zelfs elke gedachte aan een vereniging van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden afgewezen, omdat hij dan in gewetensnood zou komen wegens zijn eed de hervormde kerk als staatskerk te handhaven6. Overigens bleek al gauw dat de Pruisische koning de erfprins als een soort cliënt van zijn politiek in het Duitse rijk wilde opnemen7. Pruisen had namelijk in 1796 met Frankrijk een geheim tractaat gesloten waarvan ook de Oranjes niets wisten, waarbij de koning van Pruisen in ruil voor afstand van de linker Rijnoever aan Frankrijk, voor zichzelf het bisdom Münster claimde. En voor Oranje waren dan, in ruil voor het verloren gegane erfstadhouderschap, de bisdommen Bamberg en Würzburg, nog wel met keurhoed. Oostenrijk wilde echter onder geen enkele voorwaarde meewerken aan de vergroting van de Pruisische macht. Bij de Vrede van Campo-Formio (1797) stemde Oostenrijk ermee in dat de schadeloosstellingen van de vorsten die als gevolg van de Franse veroveringen gebied hadden verloren, op een congres in Rastatt zouden worden geregeld.

De ruzie tussen vader en zoon Oranje laaide in 1796-1797 hoog op, toen Engeland eveneens aanstalten maakte om met Frankrijk vrede te sluiten. De erfprins eiste dat vader met het Directoire onmiddellijk in onderhandeling zou treden dan wel hem daartoe zou machtigen. Toen vader Willem noch tot het een noch tot het ander bereid bleek, dreigde de zoon in Polen – waar hij in Racothen land gekocht had – kool te gaan planten. Hij moest immers toch érgens van leven en had bovendien ook een gezin te onderhouden. Hij bleef niettemin in Berlijn hangen waar hij niets kon doen, zolang zijn vader diens veto handhaafde.

III. De tweede coalitie-oorlog (1799-1802) in de Nederlanden

A. Land-en zeegevechten in en bij de kop van Noord-Holland en het rassemblement van Lingen (augustus/september 1799)

Tijdens de expeditie van Bonaparte naar Egypte slaagde Engeland er in een nieuwe coalitie te smeden met Rusland en Oostenrijk, terwijl Pruisen afzijdig bleef. Londen had de ex-stadhouder van een beoogde Engels-Russische invasie op de hoogte gesteld: Britse schepen zouden 12.000 Russische en Britse inmiddels soldaat geworden werklozen in de Republiek tussen Den Helder en Callantsoog aan land brengen, en Willem moest de orangisten in Nederland daarover informeren. Militaire deskundigen hadden voorspeld dat, zo gauw de bevolking in de verte een brik met de oranje-wimpel zag komen aanvaren, deze haar oude schutterspak te voorschijn zou halen, de wapens zou oppoetsen, de vlag zou uithangen en elke Fransman dood of levend bij de bondgenoten zou afleveren. Uit informatie van de geheime diensten was namelijk gebleken dat ook in de grote steden de animo voor dienstneming in de zogenaamde oranje-legioenen overweldigend zou zijn8.

Oranienstein

Oranienstein

Het Brits-Russisch-Nederlandse samenraapsel nam het in augustus 1799 op tegen de Frans-Bataafse krijgsmacht. Deze bestond officieel uit 33.000 man reguliere Nederlandse troepen, 30.000 man van de Nationale Garde en een miniem vlooteskader - de Bataafse vloot geheten - plus een Franse legergroep van 16.000 man9. De Nederlandse bijdrage bevatte overigens, toen het er op aan kwam, uit hoogstens 25.000 man, die allemaal even slecht bewapend waren, terwijl de Franse armee niet meer dan 10.000 soldaten telde. Toen de eerste geallieerde soldaten op 27 augustus ten Zuiden van Den Helder aan land kwamen, gaf commandant Daendels, bang voor insluiting, de stad over aan de langs het strand oprukkende geallieerden. Niet alleen deskundigen noemden Daendels' gedrag krankzinnig en verraderlijk. De Bataafse vloot trok zich bij het zien van de vijand schielijk in de Zuiderzee terug, gevolgd uiteraard door de Britten, die nauwlettend de Bataafse schepen in het oog hielden. De geallieerden hadden geenszins de bedoeling onmiddellijk slag te leveren, veeleer wilden zij eerst de krijgsbelustheid en oranje-gezindheid van het Bataafse vlootpersoneel vaststellen. De Britse admiraal hees zelfs de oranjevlag en nodigde de Bataafse collega uit tot 'terugkeer maar de rechtmatige loyaliteit'10. Op een zo duidelijke invitatie konden de Nederlandse vlootvoogden natuurlijk niet openlijk antwoorden. Zoveel was de Britse opperbevelhebber echter wel duidelijk, dat de Nederlanders zich schaamden in dienst te zijn getreden van de Bataafse Republiek. Ze zouden zich bij een aanval alleen verdedigen uit vrees voor wraak na hun terugkeer aan de wal. De Britten wisten genoeg. Zij deelden bij het afscheid diverse proclamaties en oranjelintjes uit11. Daarna begonnen de Britten een 'zeeslag'. Op de Nederlandse schepen werd meer energie gestoken in de mishandeling van enkele anti-orangistische officieren - van wie er een overboord gesmeten werd – dan in het beantwoorden van het Britse vuur. De strijd was in een oogwenk beslist: de Engelsen hadden gewonnen.

Inmiddels had de erfprins een kantoor in Lingen geopend waar hij een legertje vrijwilligers verzamelde om actief vanuit Duitsland aan de bevrijding van Oost-Nederland mee te werken. Zijn inval – min of meer samenvallend eind augustus met de ontruiming van Den Helder door Daendels - vanuit Lingen mislukte. Dat was wellicht ten dele ook de schuld van vader Willem. De door hem geschreven en door de zoon verpreide proclamatie riep namelijk meer weerzin dan sympathie in het vaderland op. Hoewel de Britse minister van Buitenlandse Zaken er bij de ex-stadhouder op aangedrongen had vooral verzoenende woorden te gebruiken, had de arrogant geschreven proclamatie meer weg van een bevel zich rond zijn troon te scharen. De 'oude' constitutie heette nog steeds de beste12. De familie had in hun ballingschap kennelijk niet veel bijgeleerd. De oproep tot de nationale opstand werd juist in de streken waar de meeste steun kon worden verwacht met schouderophalen begroet. Bedroevend was ook de afloop van een gevecht op 4 september tussen een 'bonte groep van een paar honderd orangistische émigrés, gewapend met sabels, een paar musketten, pistolen en jachtgeweren' op de brug bij Westervoort naar Arnhem met een detachement van de plaatselijke Nationale Garde13, een soort Binnenlandse Strijdkrachten (BS) of Bescherming Burgerbevolking (BB) uit een recent Nederlands verleden.

Het ergste voor de erfprins was echter dat de Britten zich niets van hem aantrokken en gewoon hun eigen plan trokken. Ze wantrouwden hem vanwege zijn Pruisische relaties en zijn moeilijk karakter. Toen hij ter ondersteuning van zijn beoogde invasie de Britten om een ondersteunende landing vroeg bij Elburg en Harderwijk, werd hem dat vierkant geweigerd. Alsof dat nog genoeg was, ontboden zij hem bij zich op hun vloot, die daar naar verluidde in de Zuiderzee lag. De erfprins, menend dat hij daar meer van nut kon zijn dan op het land waar hij nauwelijks een voet aan de grond kreeg, gaf dus gehoor aan het Britse verzoek en liet zijn Lingens legertje in de steek. Daarmee reduceerde hij zijn toch al minieme kansen op een eigen regering tot nul. Bij de Britten aangekomen, klauterde hij aan boord van het Bataafse vlaggeschip, waar hij door de janmaten met donderend gejuich werd ontvangen. Hij vroeg de matrozen de Bataafse vloot zich aan te sluiten bij de Navy. De Britse commandant maakte hem er echter op attent dat hij te voorbarig was. Het ware beter op Texel eerst het personeel te zuiveren, de vloot goed op te tuigen en dan pas als onderdeel van de Britse vloot te laten functioneren14. Toegegeven, de suggestie van Willem was ondoordacht, maar de manier waarop de Britten openlijk afstand van hem namen leek nergens op. Willem, hoe teleurgesteld ook, voegde zich nu bij de troepen rond Alkmaar. Ook zijn aanwezigheid daar leidde niet tot de voorspelde oranje-vreugde, laat staan dat hij nu in staat was daar een vaderlandse regering te vormen. Alleen in Oostgraftsdijk en wellicht ook nog elders waren oude lieden een oranjebitter gaan drinken15.

Dietz

Dietz

Even weinig geluk had Willems plaatsvervanger in Lingen. Deze had nog gepoogd om in Twente en Drente grote hoeveelheden soldaten onder de oranjebanier te scharen. Er kwam echter niemand. Een van de vele commandanten verklaarde dat 'mijn corps behalve uit 8 à 10 gemeenen, enkel uit officieren bestaat'16. De wapens waren slecht maar er waren wel mooie vaandels. Coevorden, dat 'in naam van de prins' werd opgeëist, hield de poort dicht. In Twente en de Gelderse Achterhoek kwamen enkele kleine schermutselingen voor. Half september was het overal weer rustig. De teleurstelling van de prins was daarom zo groot, omdat hij de hele expeditie uit eigen zak betaald had17.

B. Noord-Holland nog steeds strijdtoneel (10 september – 18 oktober)

Sinds augustus was er in Noord-Holland, waar Hoorn en Enkhuizen in handen van de binnendringers waren, nauwelijks meer gevochten. De Engels-Russische invasiemacht onder York én de Frans-Bataafse krijgsmacht onder leiding van Brune, beide ongeveer 17.000 man sterk, wachtten beiden op versterkingen. Toen de Franse opperbevelhebber op 10 september vernam dat de vijand snel versterkingen zou krijgen, besloot hij nog diezelfde dag de Engels-Russische linies ten noorden van Alkmaar aan te vallen. Na aanvankelijke successen, waarbij de Britten tot bij Krabbendam werden teruggedrongen, leed Daendels bij een tegenaanval zware verliezen. Zelfs de aanwezigheid van de erfprins met een snorkend manifest over herstel van "'s lands oude constitutie" maakte geen enkele indruk. Het was duidelijk, dat de bevolking 'een restauratie van de toestanden van vóór 1795 afwees'18. Onder moordend Brits vuur kwamen de Fransen en Bataven noch over de ringsloot noch over de Zijperdijk. Geheel in verwarring rende het leger van Daendels, de commandant voorop, volkomen in paniek in zuidelijke richting. De Franse generaal brieste dat 500 Fransen meer betekenden dan 2000 van 'die ellendige Nederlanders'19. Met moeite kon hij de vluchtelingen opvangen en weer de andere kant opjagen. Maar Alkmaar was verloren terwijl ook Amsterdam werd bedreigd. De Fransen staken de dijken van de Beemster en Schermer door om verder oprukken van de vijand te verhinderen.

Inmiddels waren - op 13 september - de Brits-Russische versterkingen aangekomen. Commandant York, die ook nog prins-bisschop van Osnabrück was – maakte onmiddellijk zijn slechte faam waar. Hij treuzelde te lang met zijn aanval in de richting van Amsterdam, want hij had erg veel andere dingen aan zijn hoofd, en die hij daarom te laat inzette. Daardoor hadden de Fransen en Bataven zich met verse troepen kunnen versterken. Weer waren aanvaller en verdediger even sterk, maar nu was de vijand de agressor. York slaagde er niet in de weg naar Amsterdam te forceren. Op 19 september werd hij bij Bergen teruggeslagen. De opperbevelhebber had weer eens geen enkel strategisch inzicht getoond. Zoals gezegd stond hij erom bekend dat hij zo'n inzicht niet bezat. De coördinatie met de Russen was eveneens hopeloos geweest. Het leek wel of er twee afzonderlijke legers vochten. Vooral de Russische jongens zijn daarvan het slachtoffer geworden. Ze wisten niet tegen wie ze moesten vechten en vielen zelf in grote aantallen. Ze zouden meer dan 2.000 doden verloren hebben. De 1.500 gevangenen, die vreesden geguillotineerd te worden, zijn echter goed behandeld. Russische kanonnen sierden voortaan de pleinen van de stadhuizen in Delft en Rotterdam, terwijl van de in beslag genomen vaandels tentoonstellingen werden georganiseerd.

De slag bij Bergen was het keerpunt in de oorlog20, al bleven gedurende de tweede helft van september de legers min of meer star tegenover elkaar liggen: de Engelsen en Russen achter de Zijpe en de Bataven en Fransen bij Alkmaar. Toen York ruim twee weken later een wanhoopspoging deed om van Egmond aan Zee uit naar het Zuiden door te dringen werd hij door de Fransen bij Castricum op 6 oktober verslagen in een afschuwelijk gevecht, waarbij meer dan 5.000 doden en gewonden zijn gevallen. Alkmaar, Hoorn en Medemblik waren voor de coalitie verloren, die zich moest terugtrekken op het oude bruggehoofd bij Callantsoog en Den Helder.

Een nieuwe geallieerde aanval was althans voor 1799 uitgesloten. De voortdurende regenbuien hadden de enkele wegen volkomen onbegaanbaar gemaakt. Het moreel van de Nederlandse soldaten, die moe, koortsig en hongerig waren, was sterk aangetast. Bij de andere legers was het al niet veel anders. De mannen wilden naar huis. De bevolking haatte alles wat militair was, orangistisch of anti-orangistisch, Engels, Russisch, Frans of Nederlands. Het enige waar de burgers in geïnteresseerd waren, was of de soldaten zo snel mogelijk zouden weggaan, zonder requisities, inkwartiering en plundering. In de correspondentie van Van Hogendorp bevindt zich een radeloos briefje van 5 oktober 1799 van Willem Lenders, tuinman op het landgoed Adrichem bij Beverwijk aan zijn heer over de Franse troepen: 'Meijn heer, hier op plaats staan alles vol paarden en het volk en de heele plaats door. De plaats gaat niet langer zoo en ik blijf U getrouwe en dienstwillige dienaar'21.

Op 18 oktober werd de oorlogstoestand in de Nederlanden beëindigd. Toen Daendels in Alkmaar terug was, beval hij alle torens, publieke en particuliere gebouwen waaraan ooit oranjevlaggen hadden gehangen, af te branden en dragers van oranje kokardes te arresteren en bij vlucht neer te schieten22.

C. Einde van de tweede coalitie-oorlog en de Vrede van Amiens (1802)

Napoleon Bonaparte

Napoleon Bonaparte

Bonapartes aandacht was na de Egyptische expeditie vooral gericht op Italië, waaruit de Habsburgers goeddeels verdreven werden en op de 'reorganisatie 'van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie, waarvan grote gebieden werden geschonken aan Pruisen, Beieren, Württemberg en Baden, die daarmee tot bondgenoten werden in de strijd tegen Habsburg. Bovendien werden alle geestelijke vorstendommen, veel kleine vorstendommen en zo goed als alle vrije rijkssteden opgeheven. Toen dit alles achter de rug was, richtte hij zich vervolgens op vredesonderhandelingen met Engeland in Amiens (1802), waar Spanje en de Bataafse republiek voor spek en bonen ook mochten aanzitten. Die vrede - waarbij met geen woord gerept werd over veranderingen op het Europese continent - veranderde niets aan de wederzijdse Engels-Franse haat, terwijl Bonaparte op het beklag van Schimmelpenninck, die Nederland in Amiens vertegenwoordigde, reageerde met de woorden: 'het bestaan van de Bataafse Republiek heeft U alleen aan ons te danken. Als Frankrijk en Engeland vrede sluiten, wat kan een tweederangs mogendheid als Holland dan anders doen dan zich daarbij neer te leggen?'23. Wel beloofde Bonapart wederom in Amiens (zoals hij ook al bij de vredes van Bazel (1795) en Campo-Formio (1797) met respectievelijk Zwitserland en Oostenrijk in het vooruitzicht had gesteld) aan Oranje een geseculariseerd gebied af te staan als vergoeding voor het verlies van het stadhouderschap en andere ambten, domeinen en lijfrenten. Willem had ruim te voren - in de zomer van 1801 - een gigantische schadevergoeding in geld en goederen gedeponeerd, waarover zo dadelijk meer.

De eerste consul kon uit het leder der geestelijke vorstendommen gemakkelijk riemen snijden. Hij zelf versterkte er zijn clientèle aanzienlijk mee24. Bonaparte was er echter mordicus op tegen dat de Bataafse Republiek zelf aan Oranje een schadevergoeding zou betalen voor verloren gegaan privébezit. Schimmelpenninck had ergens opgevangen dat 'le premier consul ne voulait pas que la Hollande donnât un florin pour le stadhouder'25. Hij vond dat de Republiek haar geld wel beter kon besteden, - bijvoorbeeld voor militare hulp aan de grote Franse bondgenoot - dan aan 'een weggelopen stadhouder'.

Daendels

Daendels

Daarentegen kreeg Daendels in november 1802 als beloning voor zijn diensten aan het vaderland bewezen 250 hectare grond van het vroegere kroondomein Het Loo op de Veluwe, niet ver van Hattem plus 50.000 gulden26. Het gerucht ging dat deze militaire dwaas weer een generaalsputsch voorbereidde tegen het Staatsbewind. Bonaparte liet weten niet op diens jaarlijkse staatsgrepen te zitten wachten. Overigens had onze 'democratische en republikeinse heros' aan Bonaparte het dubbele bedrag gevraagd. In 1806 zou hij vooraan in de rij staan om majesteit Louis van harte als koning te verwelkomen, daarbij zijn hand ophoudend voor een vette prebende. Louis de goede stopte daar het goeverneur-generaalschap van Indië in, waar de bandiet zijn militaire kunstjes kon vertonen ten koste van tienduizenden rijksgenoten.

IV. Oranjes knieval voor Bonaparte

A. Willem in Parijs

We zijn op het verhaal vooruit gelopen. De bovengenoemde 'gigantische' schadevergoedingseis die Oranje in de zomer van 1801 bij de mogendheden had gedeponeerd, had er niet om gelogen: territoriale compensatie, bestaande uit vergroting en afronding van het Nassause gebied met o.a. Gulik, Berg, Kleef en Paderborn. Van de Bataafse Republiek eiste hij verder een bedrag van 127 miljoen voor de waarde en voor de sinds 1795 niet betaalde rentes van de verloren gegane domeinen, gebouwen, inboedels, kabinetten, publieke fondsen, schuldbrieven en lijfrentes. Het bedrag zakte al snel naar 30 miljoen en zelfs naar 22 miljoen27.

Aan die eisen viel niet te merken dat Willem V gruwde van het aanvaarden van een schadeloosstelling uit Franse hand. Hij begreep echter ook wel dat men om der wille van het grote geld zijn principes wel eens moest bijstellen. Al gauw liet hij de behandeling van de zaak over aan de erfprins28. Eind 1801 verruilde de voormalige stadhouder zijn Engelse ballingschapsoord voor het slot Oranienstein bij Diez, vanwaar hij met Kerstmis in een befaamde brief zijn aanhangers toestond ambten in de Bataafse Republiek aan te nemen. Van Hogendorp legde een relatie tussen deze brief en de door oranje verhoopte compensatie. Fel hekelde hij de door hem weinig geachte ex-stadhouder om diens nieuwe staaltje van opportunisme29. Tot zijn dood in 1806 zou Willem V de Nassause erflanden blijven besturen.

Inmiddels was de erfprins in februari 1802 naar Parijs gegaan om daar zelf bij de eerste consul zijn belangen te behartigen. De ontvangst bij Bonaparte leverde niets bijzonders op, al zal deze wel blij geweest zijn met de knieval – want dat was het - van Willem jr. De erfprins vond alles even schitterend: de persoon van de consul, zij garden zijn militaire prestaties: vive la France...

Bonaparte zei op zijn beurt tegen Willem, dat hij veel respect had voor stadhouder-koning Willem III. Hij wilde zelfs – maar ook niet meer dan dat - een gekopieerde afbeelding van deze verre verwant hebben. Vol trots rapporteerde Willem over het bezoek en over het verzoek aan zijn vader, die ontstemd antwoordde 'van familieportretten slecht te zijn voorzien'. Die van Leeuwarden waren door de patriotten opgestookt en de andere waren thans Bataafs bezit. Hij had alleen een medaillon dat hij wel wilde afstaan. Bonaparte stuurde het terug. Hij had aan een kopie genoeg, zoals hij ook gevraagd had.

De erfprins vermaakte zich in Parijs redelijk. Op 16 maart 1802 woonde hij een ook door de eerste consul bezochte opvoering van Jean Racines 'Esther' bij. Toen op het toneel de Joodse meisjes elkaar gelukwensten met het spoedig weerzien van het vaderland, barstte Willem in snikken uit. Hij zag er zijn eigen situatie in. Bonaparte liet vragen wat er in de zaal aan de hand was en gromde: 'Vraiment, ce n'est pas le cas de se retourner'. Tot oprechte verbazing en bezorgdheid van 'alle goede vaderlanders' reed de prins op 18 april in de plechtige stoet mee naar de Notre Dame om daar de door de pauselijke legaat opgedragen heilige mis ter gelegenheid van de verzoening tussen kerk en staat bij te wonen.

B. Fulda als vergoeding (1802)

In een op 23 mei 1802 tussen Pruisen en Frankrijk gesloten verdrag kreeg Oranje het geseculariseerde bisdom Fulda, de abdijen Corvey en Weingarten alsook de plaatsen Dortmund, Isney en Buchhorn als vergoeding voor de afstand van het stadhouderschap en de domeinen in de Republiek, echter op de voorwaarde dat hij aan de Oranje-onlusten in de Bataafse republiek een eind zou maken. Het was een gebied met 113.000 inwoners30. Toen de ex-stadhouder bemerkte hoe bekaaid hij er eigenlijk van af gekomen was, kwam zijn oude afkeer tegen gestolen goed weer boven. Hij liet de nieuwe bezittingen daarom over aan zijn oudste zoon, wiens bewondering voor Bonaparte ook al aanmerkelijk bekoeld was.

In Fulda vond de overdracht vredig plaats tijdens een diner met de oude aartsbisschop Adalbert III von Herstal. Wel had Willem troepen achter de hand gehouden voor het geval monseigneur niet in het tuig wilde31. Fulda werd voor Willem de voorafschaduwing van zijn latere bestuur in Holland. 'Mit fürstlicher Gnade und landesväterlichem Wohlwollen' als ook 'mit einer peinlich genauen Einmischungssucht' maar vooral met tijdrovende detailzucht ontfermde de 'kleine Frederik de Grote' zich over zijn 60.000 geseculariseerde maar katholiek gebleven landskinderen. Hij doorkruiste voortdurend te paard zijn kleine landje om te zien hoe het gras groeide, de oogst erbij stond en of er geen dieven waren. Hij was 'dorpsburgemeester en veldwachter tegelijk'32. Hij kwam 's nachts uit zijn bed om mee te helpen een brand te blussen, praatte met iedereen die hem aanklampte en zat tot diep in de nacht te werken. Het is zeker dat de bevolking tevreden was met deze 'eerste niet-bisschoppelijke en zelfs ketterse landsheer'33.

De Engelse regering gaf de stadhouderlijke familie 'in aanmerking van de verliezen welke het huis van Oranje in de laatste acht jaar had geleden34 een jaargeld van 16.000 pond, waarmee zij probeerde enige grip te houden op de in Duitsland verblijvende Oranjes.

C. Verdere lotgevallen van Oranje

Toen hij Fulda in bezit had, probeerde de erfprins onderhandelingen te voeren met het Staatsbewind over zijn nog openstaande vordering wegens het verlies van privébezittingen, welke vordering inmiddels naar gezegd al van 127 gezakt was tot 22 miljoen. De straatarme regering in Den Haag was niet bijzonder geïnteresseerd en beriep zich op de clausule van Amiens, waarin over schadeloosstelling werd gesproken als een Franse aansprakelijkheid. Bonapartes mening was bekend: geen cent voor Oranje.

Handschrift Willem V

Handschrift van Willem V
klik op de afbeelding om te vergroten

Willem had gehoopt op miljoenen, die hij wilde besteden voor de ontwikkeling van Fulda. 'Een opvallend moment' volgens Tamse35, want Oranje wilde hier geld onttrekken aan Nederland voor zijn privébezit. Het gehele jaar 1802 bleef de zaak slepen. Geheel buiten Bonaparte om liet de erfprins door geheim agenten contact zoeken met de Franse minister van Buitenlandse zaken Talleyrand en met de Franse gezant De Sémonville in Den Haag. Beiden waren altijd voor goed geld te koop geweest. Dat waren ze dus nu ook. Talleyrand eiste en kreeg een half miljoen ineens en de gezant enkele tienduizenden guldens. Voor dat geld moesten de beide heren het Staatsbewind onder druk zetten de 22 miljoen aan Oranje uit te betalen. Zij moesten doen alsof een en ander de wil van Bonaparte was. In feite was het een al te doorzichtige leugen. Voor alle zekerheid stond dan ook de eis voorop dat de naam Bonaparte nooit zou worden genoemd.

Het Staatsbewind trapte in de val en tekende op 1 augustus 1804 een overeenkomst met het oranjehuis over betalingen in tien jaarlijkse termijnen – te beginnen op 15 september 1804 - van 500.000 gulden. Er was op dat moment geen cent in kas36. De eerste betaling zou overigens regelrecht naar Talleyrand gaan.

Het voorstel moest echter nog door het Wetgevend Lichaam worden aangenomen. In de vergadering daarover verklaarde het Staatsbewind dat de regeling een uitvloeisel was van de vrede van Amiens en dat Bonaparte uitermate ontstemd zou zijn als de overeenkomst niet werd aanvaard.

Dit bespottelijke gedrag kon natuurlijk niet voor Bonaparte verborgen blijven. Hij stuurde zijn trawant VerHuell naar Den en Haag om de sterkst mogelijke afkeuring van zijn meester over te brengen. Hals over kop probeerde het Staatsbewind de regeling ongedaan te maken. De enige mogelijkheid was het Wetgevend Lichaam te schorsen zodat het geen wetten kon aannemen. Toen gebeurde er iets ongelooflijks. Het Wetgevend Lichaam liet zich niet schorsen. Het stemde over het voorstel en verwierp het op 29 augustus officieel37.

De Oranjes wisten nu helemaal niet meer waar ze het moesten zoeken. Zij waren tegen heug en meug door het aannemen van de schadeloosstelling opgenomen in de kring van Bonapartes satellieten. Zeker, ze waren duodecimo vorstjes, maar hun naam was beroemd, hun geschiedenis rijk, hun pretenties groot en de banden met Pruisen sterk.

Door en sinds het droevig einde van de schadevergoedingskwestie haatten de Oranjes het nieuwbakken creatuur in Parijs uit de grond van hun hart, die hun huis met een paar lapjes grond had durven afschepen en nog geen paar miljoen wilde betalen, en dat terwijl de erfprins zo zijn best had gedaan om zijn vriend te worden. Ondank was 's werelds loon.

Toen de gedesigneerde keizer zich in september 1804 door de kleine broertjes te Mainz in een massa-audiëntie liet huldigen, kwamen de Oranjes niet opdagen. Willem V was moe en der dagen zat, terwijl de erfprins het verlies van de vijf-miljoen-affaire nog niet verwerkt had. Bovendien liep de familie de kans de Britse toelage te verspelen wanneer zij als smekeling voor het aangezicht van Bonaparte zou verschijnen. Om van erger nog maar te zwijgen. Het wegblijven van de Mainzer hofdag was – dat was genoegzaam bekend - schadelijk voor de particuliere en staatsbelangen van elke cliënt. Iemand die zich zo jegens de majesteit gedroeg, verdiende geen rijksvorst te zijn.

Austerlitz

Austerlitz

Nu ik toch bezig ben de heilige regels der chronologie te overtreden, neem ik de wraak van de gekwetste majesteit over de schending van de majesteit ook maar in dit verhaal mee.
Na de Oostenrijks-Russische nederlaag in de drie-keizers-slag bij Austerlitz op 2 december 1805 had Habsburg zijn machtspositie in (Zuid)-Duitsland verloren. Napoleon verenigde alle Zuid- en Westduitse vorsten in juni 1806 in de Rijnbond. In dit 'derde Duitsland' was voor oranje geen plaats. Bonaparte schoof Fulda toe aan Westfalen, Weingarten aan Württemberg en Nassau aan het groothertogdom Berg38. Met moeite wist de erfprins althans zijn tafelzilver uit Fulda te redden. Hij doolde voortaan van de ene plaats naar de andere, overal soebattend om onderdak en een lijfrente39 en verlaagde zich zelfs daarbij tot het schrijven van drie kruiperige brieven aan Napoleon. Uit een daarvan een kort citaat: 'Mon principal désir est de ne point être méconnu par le grand homme qui donne personnellement au monde des preuves de la justesse avec laquelle il juge les personnes et les choses. Maintenant, mon existence entière est sous la protection francaise'40. Op zijn eerste brief kreeg Willem schriftelijk een ontwijkend antwoord, op de tweede een mondeling ontwijkend en op de derde helemaal géén antwoord41.

Willem had wel zijn Poolse boerderij in Racothen behouden42. Liever echter dan 'daar kool te planten' zwierf hij rond het hoofdkwartier van tsaar Alexander. Deze veel belovende – wat iets anders is dan veelbelovende – man zou bij de aanstaande vrede van Tilsit al zijn wensen realiseren. Ter plekke heeft hij diens naam echter niet eens genoemd!

Dan leek het beter alle hoop te vestigen op de klassieke Engelse bondgenoot. Zelf wilde Willem VI – zoals hij in die tijd ook genoemd werd – niet naar Engeland gaan. In 1809 zou hij zijn minderjarige zoon Willem naar Oxford sturen zogenaamd om daar te gaan studeren maar in werkelijkheid met de onuitgesproken verwachting dat hij op vrijersvoeten zou geraken met Charlotte, het enige kind van de prins van Wales, de beoogd troonopvolger43.

 

 


1 Colenbrander, Bat. Rep. 159-160
2 Gosses-Japikse, 738
3 Colenbrander, Bat, Rep. 155-6
4 id. 162
5 id. 190
6 Naber 281
7 Colenbrander, Bat. Rep. 163
8 Schama 459
9 Colenbrander, Bat. Rep. 196-7
10 Schama 452
11 Colenbrander ? Bat. Rep.204-5
12 Schama 463
13 Schama 463
14 Schama 462
15 Schutte, Dorps 146
16 Colenbrander, Bat. Rep. 212
17 Colenbrander, Bat. Rep. 220
18 Rogier, Eenheid en scheiding 261
19 Schama 464
20 Schama 465
21 Beaufort 168
22 Veer 85
23 Schama 510
24 Wit, Strijd 246
25 Plemp 76
26 Veer 94-5
27 Colenbrander, Bat. Rep. 240
28 id. 238-240
29 Overmeer 41
30 Homan 36
31 Tamse, Monarchie 24
32 Tamse, Naussau 238-40
33 Zee 298
34 Colenbrander, Bat. Rep. 249
35 Nassau 236
36 Turkstra 52
37 Homan 44
38 Beaufort 197
39 id.
40 Colenbrander, Willem I, dl.I 120
41 id.119-20
42 Naber 257
43 Colenbrander, Schimmelpenninck 226





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander