Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Zeer ware geschiedenis van de jaren 1795-1815, deel 3
C.V. Lafeber

Geen door Van Amsberg-Lubbers-Balkenende geautoriseerde, niettemin zeer ware geschiedenis van de jaren 1795-1815

 

Geschiedenis van de politieke structuur (met name de grondwetten)

  1. tijdens de Bataafse Republiek (1798-1805),

  2. het Bataafse Gemenebest (1805-1806),

  3. het koninkrijk Holland (1806-1810), en

  4. Nederland als deel van het keizerrijk (1810-1813)

 

INTRODUCTIE

Joost Rosendaal citeert in zijn zeer aanbevolen, moedige studie over de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk 1798 de volgende passage uit de door mevrouw B. von Van Amsberg in 1997 uitgesproken troonrede:
'DE FUNDAMENTEN VAN ONZE SAMENLEVING LIGGEN VAST IN ONZE STAATSSTRUCTUUR, ONZE PARLEMENTARE DEMOCRATIE EN HET RESPECT VOOR GRONDRECHTEN VAN MENSEN. IN HET KOMENDE JAAR ZAL HIERAAN BIJZONDERE AANDACHT WORDEN GEWIJD IN DE HERDENKINGEN VAN DE ERKENNING VAN NEDERLAND ALS APARTE STAAT MET DE VREDE VAN MÜNSTER EN DE GRONDWET VAN 1848, DIE DE GRONDSLAG LEGDE VOOR ONZE PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE'.

Rosendaal wijst er terecht op dat 'slechts enkele historici bij de viering van het 150-jarig bestaan van Thorbeckes constitutie gewezen hebben op de onjuistheid van de stelling dat deze de geboorteakte van de parlementaire democratie zou zijn. Al vijftig jaar daarvóór, in 1798, was immers de eerste Nederlandse grondwet in werking getreden. Toen al golden volkssoevereiniteit, mensenrechten en volksvertegenwoordiging als grondbeginselen van de staat. Alleen was er in de republiek die Nederland destijds was, geen plaats ingeruimd voor het Oranjehuis. Reden genoeg voor de vorstin en haar regering om de geboorteakte van onze democratie aan te passen, zodat zij vijftig jaar jonger werd'.

Historisch Nederland is Rosendaal dankbaar voor zijn studie en de daaruit getrokken conclusie. Waar momenteel zo vaak en zo terecht gewezen wordt op de intransparante macht van dynasten waarop dan steevast schouderophalend gereageerd wordt met de opmerking dat het verwijt toch niet onderbouwd kan worden en dat er bovendien ook nog zoiets bestaat als de ministeriële verantwoordelijkheid, heeft hij hier duidelijk de kwalijke invloed van mevrouw Van Amsberg aangetoond, daarbij en passant duidelijk makend dat men in de koninklijke paleizen niet vies is van geschiedvervalsingen, waarmee ik eigenlijk bedoel te zeggen dat hun hele geschiedschrijving bestaat uit bedrog. Tot op de dag van vandaag. En dat met de daarbij behorende uitgestreken hypokriete gezichten.

In mijn hier volgend verhaal zijn alle door Van Amsberg zo gevreesde anti-oranjeteksten ontleend aan Rosendaal, die - het zij nogmaals gezegd - met zijn speurwerk de historische wetenschap een grote dienst bewezen heeft.

 

I (Voor)geschiedenis van de grondwet van 1798.

A. Twee Nationale Vergaderingen
Een afdeling van het 'comité te lande' – opvolger van de Raad van de Raad van State1 – had in maart 1795 opdracht van de Staten-Generaal gekregen om een reglement te ontwerpen voor het bijeenroepen én het omschrijven van de bevoegdheden van een Nationale Vergadering, die de plaats van de Staten-Generaal zou innemen. Al in mei 1795 was dat – federalistisch uitgevallen - plan gereed.

De Staten-Generaal zouden het bestuur van het land behouden tot er een door het volk via getrapte verkiezingen gekozen Nationale Vergadering zou zijn aangetreden. Nadat daarover - maar ook over zaken als de toelating van Brabant en Drente tot de Staten-Generaal – meer dan een half jaar op leven en dood tussen unitarissen en federalisten - respectievelijk voor- en tegenstanders van meer eenheid – was gevochten, viel het besluit om per 1 maart 1796 die Nationale Vergadering bijeen te roepen.

Het Reglement schreef voor dat het gehele land – waartoe nu ook Brabant en Drenthe geacht werden te behoren – verdeeld werd in 126 kiesdistricten van elk 15.000 inwoners. Elk kiesdistrict was onderverdeeld in 30 grondvergaderingen van elk 500 stemgerechtigden. De stemgerechtigden in elke grondvergadering wezen één kiezer aan en die 30 samen kozen één van de 126 volksrepresentanten. Op 31 augustus 1797 zou de zittingsduur aflopen, waarna een tweede Nationale Vergadering diende aan te treden.

Stemgerechtigd was elke mannelijke niet-armlastige Nederlander van 20 jaar en ouder die een 'verklaring van afkeer van alle erfelijkheid in ambten en waardigheden' moest afleggen (zie hieronder). Daarmee werden eventuele Oranje-gezinden geweerd. De Nationale Vergadering, representerende het volk van Nederland, die op 1 maart 1796 feestelijk werd geopend, enkele uren nadat de Staten-Generaal waren uiteengegaan, nam de bevoegdheden van de Staten-Generaal over. Er werd hoofdelijk gestemd en de meerderheid besliste2. Het geleuter dat nu jaren lang zou los barsten was verschrikkelijk, minstens even erg als in de Tweede Kamer gedurende de laat-monarchale tijd.

In november 1796 werd een door een speciale commissie voorbereid sterk federalistisch getint grondwetsvoorstel besproken, dat onmiddellijk in unitaristische richting onherkenbaar werd geamendeerd, waarmee het 'dikke boek' van 918 artikelen - zoals het ontwerp sinds de jaarwisseling 1796-7 genoemd werd - voor beide partijen onaanvaardbaar werd. Het was geen wonder dat het bij het voorgeschreven plebisciet op 1 augustus 1797 met grote meerderheid werd verworpen.

Men kon toen weer helemaal opnieuw beginnen. De op 1 september 1797 bijeengekomen tweede Nationale Vergadering3 - waarvoor de verkiezingen ongeveer terzelfder tijd plaats gevonden hadden als het plebisciet over de grondwet – had een vergelijkbare uitslag. Alleen de radicale vleugels waren sterker geworden, hetgeen consensus nog moeilijker maakte.

B. Staatsgreep van 22 januari en de grondwet van 17 maart 1798
In deze min of meer uitzichtloze siuatie hebben de Franse generaaal Joubert en de nieuwe ambassadeur Delacroix – 'Van der Kruissen' - de radicale unitarissen die onder leiding van de brallerige, leeghoofdige en immer om geld verlegen zittende militaire schavuit Daendels, geholpen op 22 januari 1798 bij het plegen van diens staatsgreep tegen de Nationale Vergadering. Naast de 1 à 2 miljoen die al eens voor vroegere assistentie aan Parijs betaald was4, maakte nu Delacroix zich verdienstelijk voor de gemeenschappelijke goede zaak door gesprekken te voeren met 'slappe lieden van de middenpartij'5 terwijl hij namens de bevriende natie voor het geval dat nodig was, tevens zowel de natte als de droge guillotine aanbood6.

De coup verliep geheel volgens plan. Toen de niet-ingewijde representanten het Binnenhof betraden – overigens was een deel van hen 's morgens om 4 uur al van het bed gelicht -, werden zij onmiddellijk gearresteerd, waarbij Joubert en Daendels en hun soldaten geïnteresseerd toekeken. Voorzitter Midderigh begon direct met het voorlezen van een proclamatie dat 'het vaderland in gevaar was' en eiste van de geïntimideerde binnendruppelaars de eed van onveranderlijke afkeer van het stadhouderschap, van de aristocratie en van het federalisme. Hij had het er ook nog over dat 'de grootste, de beroemdste, de dapperste van alle Republieken dezer wereld, onze bondgenoote, ons tot de beslissing dezer gewigtige zaak' had gedrongen7. Van de aanwezigen weigerden er 11 de eed. Daarmee verloren zij het vertrouwen van het volk. Zij konden heengaan.

Deze vergadering besloot het Reglement van 1795, dat als bron van alle ellende werd gezien, af te schaffen. Alle gearresteerde dan wel de eed geweigerd hebbende leden werden van hun mandaat vervallen verklaard. De gewestelijke soevereiniteit werd vernietigd. De aanwezigen riepen zichzelf uit tot Constituerende Vergadering, wezen een Voorlopig Bewind van vijf leden – het Nederlandse Directoire – aan en benoemden een nieuwe grondwetscommissie. Tussen de bedrijven door kwam Van der Kruissen binnen om de heren te omhelzen en hun geluk te wensen met hun moedig optreden. Om 4 uur in de middag was de revolutie afgelopen. De troepen trokken weg. De volgende dag bedankten nog eens 29 leden. De gematigde federalisten en unitarissen legden zich bij de staatsgreep neer. De nieuwe grondwet kwam er ook en wel al heel spoedig. Zij was door Delacroix uit Parijs meegebracht en behoefde slechts vertaald te worden.

Op 23 maart 1798 maakte de 'Constitueerende Vergadering, representeerende het Bataafsche Volk', plechtig bekend dat op 23 april de Grond-Vergaderingen zouden stemmen over de grondwet. In deze proclamatie werd er aan herinnerd, dat gij het'slavenjuk eindelijk moede, Philips van Spanje afzwoer en eene republikeinsche Constitutie wilde. Men gaf er u de schaduw van, en de Graaflijke Keetenen, met een weinig verguldsel van vrijheid belegd, gingen over in de handen van listige Stadhouders en regeerzuchtige geslachten.'8

Vrees voor afwijzing was overbodig. Er was een scherpe censuur ingevoerd, tegenstanders waren gearresteerd en hun bezit onteigend, terwijl de vrijheid van vergadering was opgeheven en de grondvergaderingen grondig gezuiverd waren van alle mogelijke tegenstanders9. Van de 165.000 mannen die kwamen stemmen, waren er 154.000 voor en 22.000 tegen. Falck merkte spottend op10 dat in zijn grondvergadering alleen 'de banketbakker van de Kloveniers Burgwal en een burger die veelal van zijne zinnen berooft was' waren overgebleven.

Het was niet overal even erg als in het district van Falck Om niet met een al te ongeloofwaardige uitlag aan te komen, hadden nmelijk zuiveringscommissies alle 'obscure gehuchten in de binnenlanden van de provincie' bezocht. De bedoeling was de bewoners daar uit de 'politieke winterslaap, waarin ze al eeuwen sliepen, te wekken en voor een gang naar de stembus uit te nodigen'. Op Ameland bevond een commissie, dat het eiland sinds mensenheugenis niet meer door een autoriteit was bezocht, zelfs niet door een verdwaalde belastinginner'. Het bleek op alle andere Waddeneilanden precies zo. Diep in de Veluwse bossen hadden de bewoners nog nooit gehoord dat de stadhouder gevlucht was en dat er 'in de stad' een revolutie had plaats gevonden. Nu dwongen de 'nieuwsgierig rondneuzende regeringsfunctionarissen hen om te komen stemmen. In Opperdoes (NH) was een oude schepen, wie zelfs de dreiging met arrestatie er niet toe kon brengen afstand te doen van zijn waardigheid noch de sleutel van de dorpskas aan de commissie te overhandigen.

Uit de Algemene Beginselen van de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk citeer ik met name de artikelen IX, XIII en XXXVI. Deze luidden respectievelijk als volgt:

    'Geen Lid, geen gedeelte der Maatschappij, kan zig het Oppergezag aanmatigen'(IX);

    'Buiten de wettig aangestelde Magten, kan geen Burger, noch eenig gedeelte des Volks, eenig openbaar gezag uitoefenen' XIII);

    'Het Bataafsche Volk verklaart, voor altijd, van het grondgebied der Republiek gebannen te zijn alle de openbaare Voorstanders van het gewezen Stadhouderlijk Bestuur, binnen deze Republiek gewoond hebbende, en daaruit geweken zedert den 1 January 1795'(XXXVI)11.

Verder bevatte de Acte van Staatsregeling de artikelen XI, XXXVI en LXXXVIII de volgende aanzeggingen:

    Een verklaring die elke stemgerechtigde in de handen van de Voorzitter van het Plaatselijk Bestuur moest afleggen en tekenen: 'Ik verklaar mijnen onveranderlijken afkeer van het Stadhouderlijk Bestuur, het Foederalismus, de Aristocratie en Regeeringloosheid. Ik beloof dat ik nimmer mijne stem zal geven aan iemand, wien ik houde te zijn een voorstander van het Stadhouderlijk, Foederatief Bestuur, de Aristocratie en Regeeringloosheid. Dit verklaar ik op mijne Burgertrouw' (art. XI);

    Een verklaring die elk Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam in handen van den Voorzitter der Kamer moet afleggen: 'ik beloof op mijn Burgertrouw, dat ik, als Lid van het Vertegenwoordigend Ligchaam des Bataafschen Volks, de Staatsregeling met all' mijn vermogen zal handhaven en nimmer zal medewerken tot enig ontwerp, strekkende tot wederinvoering van het Stadhouderlijk of Foederatief Bestuur of ter begunstiging van Aristocratie en Regeeringloosheid, maar met alle mijn magt, dit alles zal tegenwerken' (art. XXXVI);

    de Belofte van elk nieuw Lid van het Uitvoerend Bewind: 'Ik verbind mij pleghtig mijnen post, als Lid van het Uitvoerend Bewínd, met all' mijn vermogen getrouw en ijverig te zullen waarneemen, en met alle magt tegen te gaan de poogingen tot herstel van een Stadhouderlijk of Bondgenootschappelijk Bestuur,onder welke benaming of form ook. Dat beloof ik op mijne Burgertrouw' (art LXXXVIII)12.

De af te leggen verklaringen in de grondvergaderingen, opgenomen in de Reglementen, behorende tot de Acte van Staatsregeling:

    De Voorzitter opent de Vergadering in dezer voege: 'Ik verklaar, eenen overanderlijken afkeer te hebben van het Stadhouderschap, Federalisme, de Aristocratie, en de Regeeringloosheid. Ik beloof, dat ik in alle de benoemingen, die ik heden zal doen, niemand stemmen zal, dien ik in waarheid geloove een aanhanger van het Stadhouderschap, en Foederatief Bestuur, of voorstander van Aristocratie en regeeringloosheid te zijn. Dit verklaar ik op mijne Burgertrouw' (art. 5).

    Deze Verklaaring ligt geschreven op de tafel, aan welke de Voorzitter geplaatst is, en ieder der stembevoegden legt, bij den aanvang der werkzaamheden, zijne hand op dit geschrift, en zegt, terwijl dezelve daarop rust, overluid: Dit verklaar ik' (art. 6).13

Van de grondwet van 1798 zelf dient nog vermeld te worden dat zij geen enkele gewestelijke grens gehandhaafd bleef, dat het Wetgevend Lichaam niets voor stelde en dat het Uitvoerend Bewind hopeloos faalde. Delacroix was het enige orakel naar wie geluisterd werd. Verder deden de heren maar wat. Actief waren zij vooral in het 'supprimeren' van iedereen die als tegenstander werd beschouwd.

C. Staatsgreep van 11 juni 1798
De onrust groeide met de dag. Met behulp van Talleyrand – à raison van 300.000 gulden voor hem persoonlijk14 - werd de 'almachtige' Delacroix ontslagen, terwijl de gewetenloze schurk Daendels, die tijdig naar de oppositie was overgelopen, wederom met de militaire voltrekking van de tweede staatsgreep van 1798 – vastgesteld op 11 juni - werd belast. Het gerucht deed de ronde dat hij in zijn bagage een aantal guillotines had meegebracht. Stomdronken als nimmer te voren, drong hij met een aantal grenadiers, het logement binnen waarin het Uitvoerend Bewind zat te dineren. Enkele heren vluchtten ijlings door het raam de straat op. Vervolgens trok Daendels naar het Binnenhof waar het Wetgevend Lichaam vergaderde. Toen de soldaten deze eindelijk ontdekt hadden, negeerden zij daar de mededeling van de voorzitter dat het verboden revolutie tegen het volk te maken. In plaats ervan zich deze wijze woorden aan te trekken, trokken de soldaten zijn zetel onder hem weg en scheurden ze de sjerp van zijn schouders. De parlementariërs vluchtten naar de herberg aan de overkant, waar ze tenslotte werden gearresteerd15. Het was een voorbeeldige staatsgreep.

In juli waren er al – wederom getrapte – verkiezingen voor een nieuw Vertegenwoordigend Lichaam. De verkiezingen waren vrij, al had de regering aangegeven wie wel en wie niet kon worden gekozen16. Jacobijnen zijn niet meer gekozen, nauwelijks federalisten maar wel veel moderaten. Er kwam ook een nieuw gematigd unitaristisch Uitvoerend Bewind van 5 directeuren, bijgestaan door 8 ministers die agenten genoemd werden 31 juli). Doordat als gevolg van de tweede staatsgreep, die er dus vooral een is geweest van personele veranderingen, keerde de rust in het land terug. Omdat nu de grondwet kon worden doorgevoerd, wordt gemeenlijk de revolutie van 1794-5 in juli 1798 als geëindigd beschouwd. De ene en ondeelbare Bataafse republiek – zo heette Nederland nu in het eerste artikel van de grondwet - was gevestigd17. De nieuwe regering van moderaten wilde vooral nationale verzoening, maar Willem V, over wiens militair-politieke escapades ik in het volgende hoofdstuk uitvoeriger zal spreken, behoefde zich over zijn terugkeer geen enkele illusie te maken.

 

II. Een derde staatsgreep en de grondwet van 1801

Bonaparte, zich zelf in 1799 verheven hebbend tot Eerste Consul, was de mening toegedaan dat de Bataafse regering te zwak was om hem financieel en militair te steunen en dat het zijn taak was daarin verandering te brengen. Hij meende dat die Hollandse kooplui rijk genoeg waren om hem uit de brand te helpen. De Franse gezant bekonkelde in het diepste geheim met enkele Bataafse sympathisanten een staatsgreep, die in maart 1801 als een zuiver Nederlands product aan het Wetgevend Lichaam en aan het volk gepresenteerd werd. Helaas voor Bonaparte werd het in juni verworpen, die daarop generaal Augereau met een op aanwijzingen van de Eerste Consul geschreven tekst - die meer federalistisch was en Oranjegezinden niet uitsloot - naar het Noorden stuurde. Daarover liet het Uitvoerend Bewind – met voorbijgaan van het Vertegenwoordigend Lichaam- een volksstemming houden. Toen het voorstel met 52.000 tegen- en 16.000 voorstemmers werd verworpen, werden de thuisblijvers als voorstemmers gerekend. Geweld is uitgebleven.

De grondwet van 1801 creëerde een Staatsbewind van 12 leden. Frankrijk kon met 3 consuls volstaan, maar Nederland kreeg er twaalf. Schimmelpenninck spotte: 'dat 12-tal hoofden! Dat 12- tal!. Dat 12-tal! Lieve God, hoe zal dit kunnen gaan! De goede hemel beschikke alles ten beste'18. Het Staatsbewind kreeg de uitvoerende en een deel van de wetgevende macht toebedeeld. Het andere deel viel toe aan een Wetgevend Lichaam van 35 leden. Het stemrecht werd beperkt door de eis van bezit van een zekere 'gegoedheid'. De provincies – wier bestuurders de leden van het Staatsbewind kozen – werden veel zelfstandiger en kregen hun oude grenzen terug. De eed van 1798 werd afgeschaft.

Ook Oranjemannen traden tot de regering toe19. Hogendorp wilde echter meer. In november 1801 verscheen van zijn hand een opzienbarende Verklaring van het Staatsbewind, waarin hij pleitte voor de terugkeer van Oranje, niet in de oude functie maar als hoofd van een gecentraliseerde staat mét grondwet. Niemand bleek echter bereid hem daarin te volgen. Willem zelf schreef een onnozel briefje waaruit bleek dat hij niets van de bedoeling van Van Hogendorp begrepen had. Zijn zoon - erfprins geheten –, boos op Van Hogendorp, wiens verhaal zijn positie in Duitsland nadelig kon beïnvloeden, reageerde helemaal niet. De oude Orangisten in het vaderland wisten er ook niet goed weg mee. Ze waren al blij dat zij weer konden meepraten. Ze belegden in oktober 1801 een vergadering ten huize van één van hen aan de Haagse Kneuterdijk – 'de Staten van de Kneuterdijk' – waar ze unaniem besloten weer ambten te gaan bekleden20. Willem V maakte het hen gemakkelijk door in december 1801 in een 'brief van Oranienstein' – waarheen hij de vorige maand uit Engeland was verhuisd – iedereen te ontslaan van de eed van trouw aan het stadhouderschap. Irritatie wekte het wel dat in 1802 de oranjefeesten werden hersteld en de vrijheidsbomen omgehakt. Her en der waren er weer oranjehoedjes en sjaaltjes op straat gezien. De regenten namen in de kerk hun oude plaatsen weer in onder de preekstoel21. Alles zou weer als vanouds worden.

Werd dus het in 1798 op gang gebrachte proces van centralisatie door het Staatsbewind afgebroken de eenheidsgedachte had echter veel sterker in de samenleving wortel geschoten dan dat zij door het uitwissen van de bepalingen van de grondwet van 1798 ongedaan kon worden gemaakt. Hoezeer ook velen terug zouden willen naar de oude gewestelijke bestuursmacht, er was geen weg terug. De Haagse politiek was en bleef opgescheept met allerlei regionale en lokale administratieve beslommeringen, waarmee zij totaal geen raad wist: brandweervergunningen, belastingontheffingen, echtscheidingsperikelen, pensioenkwesties, een verzoek om '130 gulden uit te keren aan de drie nog in leven zijnde kinderen van de weduwe Geesen die aan honddolheid gestorven was'.22 Die alsmaar aanzwellende stroom moest worden behandeld door een regering die niet de intentie had een centrale te zijn, doch dat haars ondanks wel gebleven was. De bende op de Haagse kantoren werd dus ondanks de afgekondigde nieuwe grondwet alsmaar groter. Daar kwam nog bij dat de regeerders niet alleen hoogst onbekwaam waren naar ook verteerd werden door afgunst, bezeten door kleinzieligheid en verlamd door competentiegeschillen. Ook de verhouding met Bonaparte verslechterde met de dag.

 

III. Grondwetten van 1805 en 1806

De verziekte verhouding met Parijs had haar voornaamste oorzaak in de het alsmaar meer dreigende staatsbankroet, gevolg van de zware verplichtingen die het militaire bondgenootschap met zich mee bracht. De staatsschuld was eind 1803 opgelopen tot 1.126 miljoen, alleen de rentebetaling al bedroeg 34 miljoen23. Daar kwamen de steekpenningen aan de Franse generaals en de aankleding van de Franse soldaten nog bij. De lasten ware voor de burger niet meer op te brengen Het land verloederde steeds meer. Het ergste verwijt dat Bonaparte maakte betrof de aanpak van de smokkelarij. De Fransen zetten zelfs troepen in om de export van kaas en boter te verhinderen. In alle havens vonden felle gevechten plaats tussen de Franse douaniers/soldaten en de Nederlandse smokkelaars.

Op een bepaald was Bonaparte was het zat, meer dan zat. Hij ontbood Schimmelpenninck, die bij de vredesluiting van Amiens (1802) de republiek –zonder veel te kunnen inbrengen- had vertegenwoordigd, bij zich in Keulen (1804). De zich tot door God geroepen keizer zei dat er een nieuwe grondwet diende te komen en dat Schimmelpenninck maar daarvoor te zorgen had. Verguld schreef deze aan zijn vrouw, die nog arroganter – tevens dommer was dan hij - dat de keizer hem uitverkoren had 'om den vallenden winkel weder op zijn pooten te helpen zette'24. Het Staatsbewind kon er natuurlijk geen enkel bezwaar tegen maken dat Schimmelpenninck ging nadenken over een nieuwe grondwet. Het kan hoogstens de wenkbrauwen gefronst hebben, toen bleek dat hij daartoe naar Parijs vertrok om daar met Talleyrand te onderhandelen. Deze en de Franse 'wijsgeer' - bedoeld is Bonaparte - hebben Schimmelpenninck alleen al door het noemen van andere kandidaten die voor het nieuwe ambt geschikt waren wel erg gemakkelijk onder druk gezet: van Kinsbergen bijvoorbeeld, of de vorst van Nassau-Weilburg – die al een groot bedrag had uitgegeven voor smeergeld -, broer Louis van Bonaparte en zelfs de jonge prins van Oranje, die zich al met de hoop erop heeft gevleid25. Nog in december 1804 was de staatsregeling gered26. Enkele maanden later werd zij aan de grondvergaderingen voorgelegd. Tevoren werd al medegedeeld dat naar goed democratisch gebruik de thuisblijvers bij de voorstemmers zouden worden gerekend27. Van de 353.00028 kiesgerechtigden bleven er 338.000 thuis. Er kwamen 14.903 op. Van hen stemden er 136 tegen. Schimmelpenninck kon beginnen.

Op 29 april aanvaardde Schimmelpennimck zijn ambt als raadpensionaris. Hij had liever de titel preident bevoerd maar Bonaparte maakte hem duidelijk dat hij geen presidenten in zijn omgeving duldde. Zijn macht was groot.Hij had zelfs meer macht dan de laatste stadhouder, zij het dat zijn ambtsperiode tot 5 jaar beperkt bleef. Hij werd bijgestaan door een door een door hem zelf benoemde Staatsraad van 9 leden en door een vijftal secretarissen van staat. De wetgevende macht berustte bij een 19-koppig Wetgevend Lichaam, dat niets in te brengen had. Het Haagse publiek wist niet goed wat het met die 'omhooggevallen', advokaat en diens ijdele en monarchale allures aan moest. In Huis ten Bosch zat mevrouw Schimmelpenninck in de huiskapel op de plaats van de vroegere prinses. Onfatsoenlijker en arroganter kon niet. Mevrouw - het Haagse volk sprak van juffrouw Schimmelpenninck – moest zich niet zo veel verbeelden Bij alle bezwaren tegen zijn levensstrijl is er tijdens Schimmelpenninck (maart 1805- juni 1806) meer gepresteerd dan in alle jaren er voor en er na.

Schimmelpenninks oogziekte - zwarte staar – werd door Bonaparte aangegrepen om zich van de raadpensionaris te ontdoen. Er is nog enkele maanden onderhandeld over de opvolging, waarna in Parijs de klucht van de vervanging kon plaats vinden. Nadat Schimmelpennunck op 4 juni zijn ambt in handen van Hunne Hoogmogende Heren – het Wetgevend Lichaam - had gelegd en op vakantie was gegaan, werd de volgende dag de klucht afgesloten. De schavuit Verhuell vroeg Bonaparte deemoedig om Louis als koning, Bonaparte was zo goedig. Van een plebisciet, waarvan sprake is geweest, is nooit meer iets vernomen.

Publicatie

klik op de afbeelding voor een vergroting

Het eerste artikel van de door de keizer gegeven, door het Wetgevend Lichaam en Louis afgekondigde grondwet luidde dat de regering van Holland 'monarchaal, gewijzigd en geregeld is door de constitutie'. De - erfelijk verklaarde – koninklijke macht was in hoofdzaak gelijk aan die welke de raadpensionaris had bezeten. Het Wetgevend lichaam werd uitgebreid tot 35 leden. Louis nam alle ministers van zijn voorganger over, zij het dat ze een mooier pak kregen. De koning had verder verboden met elkaar buiten zijn aanwezigheid over staatszaken te spreken. Persoonlijk heeft mijnheer in 3 weken tijds 19 grote wetten en verordeningen op zijn naam gezet29, welke echter middellijk weer werden ingetrokken, waarna de majesteit – zo heet dat in die kringen - zo overwerkt dan wel ziek werd dat sindsdien al het wetgevend en uitvoerend werk bleef liggen. Daar Louis ongeveer alle ziekten - echte of ingebeelde - heeft gehad die een mens hebben kan, werd hij met de dag chagarijniger. Hij gebruikte allerlei medicijnen en consulteerde elke dokter, die hem werd aanbevolen. Ook heeft hij meer gekuurd in binnen- en buitenlandse sanatoria dan geregeerd in het vaderland. Hij baadde zich in de ingewanden van dieren en dronk immer verse moedermelk, ik weet niet hoe onze Louis deze consumeerde. Hij was ook nog Grand connnétable de France – opperrijks-paarden-meester of zo iets, maar viel telkens van zijn paard.

Opvallend is dat er in 1806 enkele incidentele symptomen van onvrede en onrust zijn waargenomen. Die werden overigens niet gesignaleerd bij de oude adel, onder wie opvallend veel Oranjeklanten waren. Misschien was er bij hen een sluimerend monarchaal gevoel ontwaakt, nu er in plaats van de burger Schimmelpenninck een 'echte' koning in Den Haag zat. Het feit dat de oude stadhouder in april 1806 overleden was, kan hen ook hebben doen besluiten eieren voor hun geld te kiezen. Er waren immers al zo lang geen hofbals en andere feesten geweest. Te lang had de adel geteerd op oude roem en oude onderscheidingen. Het werd de hoogste tijd dat er een nieuw object – hoe dat er ook uitzag – van adoratie was gekomen, voorzien van een hoorn des overvloeds - hoge onderscheidingen en vette banen -, welke juist over hen moest worden leeggeschud. Al die democratie en al dat gewone volk, daar hadden ze hun buik vol van.

De eerste delegatie die op de stoep van Huis ten Bosch stond om de 'eerste koning sinds Philips II'30 onvoorwaardelijk trouw te betuigen, waren orangistische regenten. Ook Bilderdijk voegde zich in de rij voor de nieuwe majesteit. Hij was in 1795 vrijwillig in ballingschap gegaan. Nu echter was de vuige pluimstrijker terug. Louis had misschien wel een hofpoeët nodig. Ook Bonaparte werd de hemel in geprezen in zijn 'Ode ter eer van den onstervelijken Napoleon, Keizer der Franschen: Gij, Vorsten, op den throon geboren, Doorziet wat d'Álmacht heeft beschoren! Aanbidt en treedt uw zetels af!'. Achter Bilderdijk stond Daendels in de rij. Deze overtuigde republikein en democraat was geen haar beter. 'Sire, zei de democraat en idealist, ik geloof elke gelegenheid te moeten aangrijpen om uwe Majesteit de verzekering te geven van mijn liefde voor Zijn Hoge Persoon'31. Eén man verlaagde zich niet tot bedelaar: Van Hogendorp. Hij zou wel graag een zeer hoog ambt uit de handen van de koninklijke Louis en de keizerlijke Bonaparte hebben willen ontvangen, ook al had hij enkele jaren tevoren verklaard niets te willen 'weten van constitutiën, welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van hoofd van den Staat bekleeden'32. Na de Pruisische nederlaag in het najaar van 1806 was hij er steeds meer overtuigd geraakt dat 'God zichtbaar de geschiedenis leidde'. Volgens Colenbrander voorkwam 'de genius van onze historie' dat Van Hogendorp iets werd aangeboden. God 'hield hem in reserve'33.

 

IV. Inlijving bij Frankrijk

In december 1809 organiseerde Bonaparte in Parijs een familieberaad. Louis weigerde aanvankelijk te komen. Hij wilde liever in een of andere verre badplaats kuren om zijn vele ziekten te doen genezen dan in de hoofdstad broederlijke verwijten aan te horen over zijn economisch en militair wanbeleid. Hij besefte echter goed dat wegblijven niet alleen uitstel van executie was maar ook de verhoudingen extra zou belasten. Hij ging dus – en zou tot april 1810 in Parijs blijven –, maar zal zich onmiddellijk afgevraagd hebben of achteraf gezien het misschien toch niet beter geweest was niet naar Parijs te reizen en in een Kurhaus zijn eigen gang te gaan. Alleen de ontvangst al was meer dan schandalig, terwijl het hele bezoek een aaneengesloten reeks van intimidaties, treiterijen en beledigingen werd. Op een gegeven moment – 10 maart – was Lodewijk murw gepest: hij beloofde alles te ondertekenen wat zijn broer hem zou voorleggen. Toen hij diens dictaat echter onder ogen kreeg, kon hij het niet over zijn hart verkrijgen om het te aanvaarden, evenmin als minister Roëll, die Lodewijk al die tijd vergezelde.

In Parijs zat echter al sinds jaar en dag de uiterst onsympathieke opportunist, gezant Verhuell, die - hoewel hij vanuit Den Haag op de opdracht had Lodewijks weigering aan de keizer mee te delen - niet te beroerd was ten paleize van de keizer het dictaat te aanvaarden en te ondertekenen en wel met graagte34. Volgens de zogeheten overeenkomst tussen de twee broers stond Louis heel Zeeland af, benevens al het land ten zuiden van Maas en Waal, werd alle handel met Engeland ten strengste verboden en kwamen er Franse douaniers, gesteund door 6.000 soldaten, om de zeegaten te bewaken en een eind te maken aan alle neutrale handel. Louis – nog in Parijs – beval de Brabantse en Zeeuwse burgemeesters en alle Bataafse commandanten zich niets van welk keizerlijk bevel ook aan te trekken en alleen hem de wettige koning te gehoorzamen. Deze was inmiddels in het restant van zijn 'koninkrijk' teruggekeerd maar wist eigenlijk niet wat hij er nog te zoeken had. Wel voelde hij zich naar eigen zeggen steeds Hollandser en soldatesker. Hij droeg dag en nacht – volgens betrouwbare informanten – een soldatenpak en begon tijdens bijeenkomsten tot stupefactie van de aanwezigen grote plukken tabak uit een Goudse pijp te roken35.

Terwijl Louis via Aken en Nijmegen in de richting van Amsterdam trok, had Bonaparte de reis via Middelburg en Breda gemaakt. Toen het Franse leger zich opmaakte Amsterdam te bezetten deed Lodewijk op 1 juli 1810 formeel afstand ten behoeve ervan zijn tweede zoon, voor de kenners de latere Napolen III. In de nacht van 2 op 3 juni verliet met zijn hondje zijn verblijfplaats via een gat in de parkomheining. Misleid door de duisternis tuimelde hij van de loopplank die over de sloot gelegd was. Hij werd, besmeurd en bemodderd uit de greppel gehaald en in een koets gehesen. Einde koningschap.

Het al geruime tijd klaar liggende decreet van Rambouillet, waarin Bonaparte zijn broer voor afgezet verklaarde, werd ijlings aan de vrijwillige abdicatien aangepast en op 10 juli ge(post)dateerd. Volgens het decreet zou de gouverneur-generaal (Lebrun) de ministerraad voorzitten, werd Amsterdam de 'derde stad des rijks' en zou in de Franse senaat, de staatsraad en het wetgevend lichaam een aantal Nederlanders worden benoemd. Op 18 oktober 1810 werd een 220 artikelen tellend decreet, vrucht van nadere besprekingen in Parijs afgekondigd. Per 1 januari 1811 was de inlijving officieel: Bonaparte regeerde hier.

 

 


1 AGN 11, 161
2 Gosses-Japikse 727-31
3 AGN 11, 170
4 Colenbrander, Bataafse Republiek 140; Veer, 70
5 Colenbrander, 123
6 Schama 385
7 Stouten, Ockerse 113
8 Roosendaal 53
9 Plemp, Schimmelpenninck 44
10 Horst, Van Republiek 34
11 Rosendaal 61-65
12 Rosendaal 74, 80, 89
13 Rosendaal 129-130
14 Schama 405
15 Schama 415
16 Wit, Strijd 174
17 Gosses-Japikse 735
18 Homan 25
19 Gosses-Japikse 741-2
20 Colenbrander, Bat. Republiek 252
21 Schama 494
22 Homan - 31
23 Colenbrander, Bat. Republiek 281
24 Colenbrander, Schimmelpennninck 2
25 Plemp 23
26 Wit, Strijd 257
27 Colenbrander, Schimmelpenninck 35-6
28 Schama 544
29 Schama 629
30 Wit, Strijd 279-280
31 Veer 180
32 Colenbander, Schimmelpenninck 142
33 Wit, Strijd 280
34 Schama 701
35 Schama 702





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander