Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Geachte Leo Brabanticus,
C.V. Lafeber

De twee delen [deel 1 en deel 2, red.] over een les in 5-VWO van het Amersfoortse stedelijk gynnasium Johan van Oldenbarnevelt, waar leerlingen spraken over een 'verbeterde versie van het staatsbestel'1 hebben mijn bijzondere aandacht getrokken. Niet alleen omdat ik ex professo daarin geïnteresseerd ben, maar tevens vanwege de assistentie die wij als Pro Republica aan andere scholen die een soortgelijke les zouden willen organiseren, zouden kunnen verlenen.

In de tweede aflevering kwam de momenteel erg labiele positie van de familie Van Amsberg in ons staatsbestel aan de orde, alsook de kosten van de monarchie. In deze reactie op deze twee voortreffelijke delen zou ik graag, ter aanvulling, het lastige probleem van de 'koninklijke onschendbaarheid' aan de orde willen stellen. Als de gelegenheid daartoe mogelijkheid geeft, zou ik hier zelfs nog een vervolg op willen schrijven over de houdbaarheidsdatum van de monarchie. Bovendien zou ik - niet wetend of dat onderwerp ook in Amersfoort behandeld is - daar ook de vraag van het ceremoniële koningschap aan willen koppelen, mede in verband met de modieuze roep daarnaar bij een enkele politieke partij.

De koninkijke onschendbaarheid
Geen enkel probleem is zowel voor politici en kiezers als voor docenten en leerlingen zo moeilijk uit te leggen als dat van de koninklijke onschendbaarheid. De ene auteur beweert zonder blikken of blozen dat mevrouw Van Amsberg alleen maar lege papiertjes heeft in te brengen en onpartijdig boven de ministers staat, terwijl een ander bij hoog en bij laag volhoudt dat mevrouw alles naar haar hand zet en dat zij in de eerste plaats altijd met zichzelf bezig is en elk probleem bekijkt vanuit de optiek van haar eigen belang: aanzien, geld en macht. Hoe komt het dat zulke totaal tegengestelde opvattingen bestaan zowel in de politiek zelf als in de maatschappij?

Het probleem van de onschendbaarheid is niet alleen nauwelijks uitlegbaar, het is ook in zijn huidige vorm nauwelijks oplosbaar. Al vanaf de Franse Charte (1814) - 'la personne du roi est inviolable' - vroeg men zich af wat die zin in 's hemels naam te betekenen had: kon de man nimmer ziek worden of sterven? Neen, die betekenis moesten we maar uitsluiten,- hoewel, bij koningen weet je het nooit, die hebben zo'n mystieke band - zeggen ze zelf - met God. Of konden koningen - wat iets minder onzinnig leek - geen zonden of fouten begaan of waren ze onaanraakbaar; in die zin dat ze nooit vervolgd, afgezet of geguillotineerd mochten worden? Iedereen fantaseerde er wat op los.

De termen koninklijke onschendbaarheid en ministeriële veranwoordelijkheid zijn bij de besprekingen van de Nederlandse grondwet van 1815 met name door de liberale Belgische commissieleden ter sprake gebracht, maar Willem I, reactionair tot op het bot, voelde wel aan dat 'verantwoordelijke ministers niets anders konden zijn dan zelf-regerende ministers'2 en veegde deze inbreng van tafel als strijdig met zijn monarchale principe.

Niet alleen Willems nu volgende 'besluitenpolitiek' maar ook en vooral de Belgische Opstand en het daarop gevolgde Stelsel der Volharding hebben zijn 'patriarchaal' koningschap volledig gediscrediteerd. Wel liep de grondwetsherziening van 1840 uit op een 'nationale teleurstelling' - al verscheen daarin wel de term 'ministeriële verantwoordelijkheid', zij het alleen in strafrechtelijke zin, maar met Willem I zelf was het gedaan.

Echter, evenmin als zijn vader, durfde de tweede Willem zich op te stellen in de lijn van de historische ontwikkeling - daar was hij overigens ook te weinig ontwikkeld voor - maar de slechte economische toestand, de hongeroproeren, de februari-opstand in Parijs en vooral de talloze März-Revolutionen in de Deutsche Länder brachten ook in Nederland de liberaal-republikeinse gemoederen dermate in beroering dat het slechts een kwestie van tijd leek of ook hier zou een burgeroorlog uitbreken en wellicht een republiek kunnen worden geproclameerd. De ingrediënten daartoe waren ruimschoots voorhanden. Willem II stond doodsangsten uit. Na al zijn jammerlijk geschipper tussen conservatieve en linkse - zeg maar republikeinse - liberalen liet hij op 13 maart weten tot 'ruimere concessies' bereid te zijn - hij verklaarde 'in 24 uur van zeer conservatief tot zeer liberaal te zijn geworden' -, hetgeen vier dagen later tot gevolg had dat de progressieve liberaal Thorbecke tot voorzitter van de grondwetscomissie benoemd werd3.

Onvoorstelbaar groot zijn de problemen geweest die 'de Tor' heeft gehad met de conservatief-liberalen in zijn commissie, in de regering en in beide Kamers en ...met de 'haute-finance'. Het was dat de angst voor een revolutie alsmaar bleef aanhouden, zodat het Thorbecke lukte zo niet zijn eigen teksten geheel aangenomen te krijgen dan toch compromissen te sluiten, waarmee hij en de links liberalen meenden te kunnen leven.

Achteraf moet gezegd worden dat het meest cruciale strijdpunt juist dat van de ministeriële verantwoordelijkheid is geweest. Thorbecke wilde alle artikelen van de grondwetten van 1815-1840 over de macht van de koning - inzake koloniën, buitenlandse betrekkingen, diplomatieke dienst, leger en vloot, financiën, het verlenen van adeldom en gratie, het ontbinden der Kamers, het vernietigen van verordeningen, het benoemen en ontslaan van ministers 'naar welgevallen', etc. - volledig schrappen, waardoor voor de koning niet veel meer dan een ceremoniële taak zou overblijven. Onder geen enkele voorwaarde echter wilden de reactionairen het persoonlijke, absolute koninschap kwijt evenmin als Thorbecke zijnerzijds geneigd was de links-liberale democratie los te laten. 'Geniaal' is Thorbeckes compromisvoorstel genoemd, waarop hij uiteindelijk voor- en tegenstanders wist te verenigen, dat de teksten uit de vroegere grondwet(ten) met betrekking tot de almacht des konings onaangeroerd liet, maar dat door invoering van een nieuw artikel 53 (later 55, tegenwoordig 42) - 'de koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk' - al die teksten onderuit haalde: overal waar de grondwet de 'koning' schreef, diende het woord 'minister' gelezen te worden.

Het desastreuze gevolg van dit eigenlijk - niet zo geniale - tussenvoorstel was, dat de conservatieve absolutisten zich voortaaan immer zouden beroepen op de oude onveranderde teksten, die suggereerden dat er ten principale terzake van de koninklijke macht niets veranderd was - men leze de memoires van minister Weitzel 'Maar majesteit' over Willem III er op na, die niet ophield zich te beroepen op al die oude artikelen - en dat de progressieve ministers en parlementariërs de koning voortdurend met het artikel 55 om de oren sloegen zonder dat deze zich daarvan iets aantrok.

Natuurlijk is de situatie sinds 1848 enigszins in gunstige zin geëvolueerd. Er zijn jaren geweest waarin de links-liberale versie aan de winnende hand was (1853, 1866-1868). Veel langer echter waren de episoden waarin Willem II en Willem III en zijn vier opvolgsters hun zin doordreven. Het enige wat van de tijd na 1848 gezegd kan worden is dat geleidelijk aan de onwerkbaarheid van de combinatie tot iedereen is doorgedrongen, zodat een grondwetsherziening van 1983 alle oude overbodigheid kon opruimen. Het artikel 55 dat bleef bestaan, dekte vooraan de prakische situatie die sinds 1848 - eigenlijk sinds 1815 - gegroeid was en waaraan niets veranderde: de koning bleef almachtig. En een republiek durfde men in 1983 niet aan. Had men het maar wel gedaan. Nu zit onze generatie met de gebakken peren.

Het antwoord op de vraag hoe de situatie na 1848 zich in zo slechte zin kon ontwikkelen, moet men in de reeksen nauwelijks bekwame politici in Kamer en regering zoeken, die zich immer door Gorilla en de dames Waldeck-Pyrmont, Mecklenburg, Lippe en Van Amsberg die gefrustreerd, arrogant, slinks en intimiderend als minkukels - wat nog meestal het geval was ook - hebben laten behandelen. De grootste ramp van het constitutionele systeem is dus het ontbreken van 'daadkrachtige' figuren geweest, zonder dewelke het evenwicht tussen staatshoofd en ministers verloren is gegaan. Thorbecke heeft daartegen tevoren altijd gewaarschuwd. Zijn constitutionele stelsel zou het 'desnoods wel kunnen stellen zonder staatshoofd, maar in geen geval zonder bekwame, actieve ministers'. Met deze links-liberale geloofsbelijdenis is Thorbecke niet alleen Nederlands grootste politicus, maar is hij ook met recht een republikein avant la lettre.

Met pijn in het hart heeft Nederlandse bekwaamste minister ooit zelf toegegeven dat het door hem gecreëerde systeem laboreerde aan te veel en te zwakke ministers. De toenmalige elite was uitermate beperkt, de honorering slecht en het ambt geen sinecure. De formateurs van de 18 kabinetten tijdens Willem III moesten vaak genoegen nemen met 'bewindslieden zonder de vereiste kwaliteiten', constateert ook de Nederlandse historicus Tamse4. Na Thorbeckes dood is de situatie er niet beter op geworden.

Tijdens Waldeck, Mecklenburg en Lippe was het al geen haar beter en wie de historia daarna bestudeert en het rijtje Lubbers, Kok en Balkenende de revue laat passeren, ziet achtereenvolgens een man die geen klap verstand - 'no nonsense' - had van staatsrecht, vervolgens een quasi-socialist die meer geïnteresseerd was in het vullen van zijn zakken dan in het handhaven en naleven van het constitutionele recht en tenslotte een werkelijke minkukel, een ondermaatse intellectueel, die geen enkel kabinet tot de eindstreep wist te brengen, maar wel als boodschappenjongen van Van Amsberg fungeerde.

Bij de geringe kwaliteit van de ministers kan ook het meer dan onconstitutionele gedrag van de staatshoofden zelf niet vaak genoeg aan de kaak gesteld worden. De ministers deden het in hun broek van angst wanneer de driftige Willem tegen hen stond te brullen, wat even effectief werkte als de arrogante bejegening door voornoemde dames. Het was echter meer dan dat alleen. Ook de gehele sfeer ten paleize, het decorum, het protocol, de pretenties, de ambiance, de oranje-hoogheid, alle trucjesdozen intimideerden de ministers zodat zij geen neen durfden te zeggen. De kabouters liepen na het gesprek wel eens buiten te zeuren over het persoonlijk en politiek wangedrag van het staatshoofd, maar dat werkte steeds minder, omdat de heren wel beseften dat zij zichzelf daarmee eveneens te kijk zetten. Het was dan ook een vondst van jewelse om - wanneer weten we niet - op de gesprekken tussen koning en ministers het stempel 'vertrouwelijk' te drukken. Sindsdien weten we niets meer en mogen we ook niets weten.

Er was soms één lichtpuntje, dat we danken aan de hofadviseurs van het staatshoofd. Deze wisten precies in hoeverre de minister de steun van het parlement had, het enige orgaan waarvoor het staatshoofd - met uitzondering van mevrouw Van Amsberg - een heilige angst koesterde. Wanneer een minister van plan was zijn geschil met het staatshoofd in het parlement uit te leggen en daarvoor een parlementaire meerderheid dreigde te krijgen, deinsde dat staatsjhoofd terug: dan bestond er gevaar voor het ambt.

Ik heb dat allemaal hier wel erg gemakkeljk neergeschreven. Het was echter nogal wat om een koningscrisis uit te lokken met alle staatsrechtelijke en maatschappelijke onrust vandien. Aan de andere kant is de bevolking langzamerhand tegenwoordig wel zo immuun geworden voor een dreiging met een koningscrisis dat we dat best wel eens willen meemaken. Bovendien: so what? Stel dat Van Amsberg het niet meer kan houden en de brui er aan geeft, wel, zo zal de reactie nu zijn: 'laat dat mens toch gaan, dan zijn we die alvast kwijt, al moet ze wel onze centen achterlaten'.

En - voor de toekomst - als die domme zoon van haar en zijn naar almacht, geld, aanzien en koninginnetitel snakkende echtgenote haar niet dan op eigen condities willen opvolgen, zo zijn we ook van dat probleem af. Niemand schrikt tegenwoordig nog van de zogenaamde Tjeenk Willink-clausule 'Wees voorzichtig met de jongelui; wanneer die de pijp aan Maarten geven - ik zie dat overigens nooit gebeuren - dan zit Nederland met een nog veel groter probleem': een zoektocht om een nieuwe door God gegeven persoon te vinden, die bereid is voor een salaris van € 60.000 per jaar enige te plegen? En als God die man of vrouw niet in voorraad heeft, kiezen we toch zelf gewoon iemand. Doe niet zo moeilijk. Zo simpel is het.

Resten nog twee problemen uit het verleden die met de ministeriële verantwoordelijkheid van doen hadden. Het eerste was de nog nimmer voorgekomen fertiliteit van het staatshoofd. Die Lippe toch. Sinds de inteelt verdween steeg het kindertal. Hadden we vroeger één prinsesje, tegenwoordig telt de familie reeksen prinsen, prinsessen en aangetrouwden. Voor het al dan niet wangedrag van ieder van die lieden kan een premier toch niet verantwoordelijk zijn, nog afgezien van de kosten van die hele tent. Het had echter heel wat voeten in de aarde vóórdat in dit geval moeder Lippe toegaf dat er naast de directe ook een afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid zou bestaan. Haar argument daartegen - je houdt het voor onmogelijk - was, dat zij dan met 'A'- en 'B'-prinsen - respectievelijk lid van het koninklijk huis of alleen maar van de koninklijke familie - te maken zou hebben. Zo'n mens noemt zich dan koningin en volgens een recente advertentie: 'een van de beste die Nederland ooit gehad heeft'.

Het onderscheid heeft overigens weldadig gewerkt, maar of het altijd en overal consequent is toegepast, is de vraag, die zelfs bij mijn weten nog nooit onderwerp van een middelbare school-scriptie is geweest.

Het tweede probleem is veel gecompliceerder en dus nooit aan een oplossing toegekomen. Het gaat om een eventuele scheiding binnen het debiet van de onschendbaarheid/verantwoordelijkheid zelf. Het is vanzelfsprekend dat ieder mens recht heeft op privacy, de minister evengoed als de koning. In principe kan gezegd worden dat alles wat met geboorte en sterven, met slapen en baden te maken heeft tot het particuliere domein behoort en dat al het andere publiek is. Men heeft de situatie wel eens figuratief afgebeeld als een klein cirkeltje rond de koning, terwijl alle ruimte er buiten publiek was. Op de afbeeldingen zag men die koning voortdurend bezig om die grens zoveel mogelijk te verleggen, tot groot ongenoegen van de - ministeriële - omstanders, die de man probeerden duidelijk te maken dat het nu wel genoeg was. Op de duur echter waren de grenspaaltjes ins Blaue hinein verdwenen en was het gehele publieke territoir privaat bezit geworden.

Ook in Nederland hebben de monarchen de hele geschiedenis door gepoogd overal het stempel 'privé' op te drukken. De bedoelde gevolgen daarvan zouden zijn dat niet alleen ministers en volksvertegenwoordigers geen weet zouden hebben van wat zich binnen dat particuliere gebied allemaal afspeelde, maar eveneens ook geen journalisten en fotografen. Zo zouden vakanties, zomerhuizen, feestjes, gasten, vrienden en vriendinnen, geldzaken, ontvangen en uitgaande post, behaalde - of niet behaalde - diploma's, foto's, het shoppen in binnen- en buitenlandse winkels, het reizen zelf én de aankondigingen daarvan, kerkbezoeken, etc. etc. door de dynasten zijn beschouwd als privé en zouden niemand dan ook maar íets aangaan.

Zo simpel ging het in de praktijk natuurlijk niet. Het leven en de maatschappij zitten gecompliceerder in elkaar. Want waren en zijn de Balkenendes doodeenvoudig niet opgewassen tegen een jankende Lippe, een stampvoetende Van Amsberg senior en - dat voeg ik er hier alvast maar aan toe voor de toekomst - een domme en eigenzinnige Van Amsberg junior en vooral diens machtsbeluste echtgenote, die met haar goedkope traantjes en hoog opgetrokken knietjes de minister wel hoopt(e) om te krijgen, er waren en er zijn er nog steeds rechters die de privé-expansie-opvattingen van de Van Amsbergers in de weg staan.

Tenslotte waren en zijn er ook nog onvervaarde journalisten. Zonder de hinderlijkheid van ongewensten te ontkennen, is de vrije pers het grootste democratisch goed dat door de vorsten zonder enig pardon zou zijn vertrapt.

 

 


1 NRC van 29 april door Artwin Kreekel
2 Feenstra-Polak 14
3 AGN XII 334
4 Monarchie, 120-1




ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander