Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Nog eens over die onschendbare koning
C.V. Lafeber

 

1. DE MINISTER IS ALTIJD VERANTWOORDELIJK [^inhoud]

Rudolf Thorbecke

Rudolph Thorbecke
(1798-1872)

Er bestaat in het staatsrecht geen onmogelijker notie dan die van de 'onschendbare koning'. Dit in Engeland ontstane begrip heeft altijd problemen veroorzaakt. Betekende het dat de koning geen fouten kan maken of geen onrecht kan doen (welke feiten controleerbaar zijn en als zodanig dus van nul en generlei waarde voor doodordinaire schepsels, tot wie ook dynasten behoren) óf dat ze nooit kunnen zondigen en dus nooit in de hel moeten branden, welke interpretatie de onschendbaarheid al evenzeer tot een onbruikbaar begrip voor de politiek maakt? Hoe indrukwekkend de simpele woorden – 'the king can do no wrong' of 'la personne du roi est inviolable et sacrée'– wellicht ook zijn, staats- en strafrechtelijk zijn ze baarlijke nonsens. Iedereen die iets doet is daarvoor verantwoordelijk en kan de aansprakelijkheid daarvoor nooit op een ander afwentelen. Minister Strafford was bereid het schavot te beklimmen om koning Charles daarvan te redden door zich zelf verantwoordelijk te stellen voor diens lamlendige politiek. Dwaasheid! Veronderstel dat meneer Lippe wegens diens crimineel gedrag tot levenslange gevangenisstraf zou zijn veroordeeld en dat de politiek verantwoordelijke Den Uyl die straf dan had moeten uitzitten. Wanneer de familie Van Amsberg alsmaar declareert voor vliegreisjes en reparaties aan de Groene Draeck en Balkenende daarvoor iedere keer de eigen portemonnee moet trekken, zou het gauw met die flauwe kul afgelopen zijn.

Het enig juiste juridische uitgangspunt is dat wie handelt, ook daarvoor verantwoordelijk is. Thorbecke beschouwde de minister - de oorspronkelijke 'dienaar des konings' – als enig verantwoordelijke voor de faits et gestes van het staatshoofd. In het Nederlandse staatsrecht was de oude hoogleraar Kranenburg een van de krachtigste verdedigers van het principe dat macht en verantwoordelijkheid onverbrekelijk verbonden zijn (Ned. Staatsrecht I 1957, p. 159).

 

2. COMPLETE AFGANG VAN DE ZOGENAAMDE MINISTERIËLE VERANTWOORDELIJKHEID [^inhoud]

De politieke praktijk was weerbarstig. De conservatieve oppositie wilde in 1848 niets, maar dan ook helemaal niets, weten van ministers die onafhankelijk van de koning optraden. Terwijl de conservatieven hier onder leiding van de toenmalige kroonprins(!) van geen wijken wilden weten en de revolutie vanuit het buitenland op de loer lag, was er voor Thorbecke die zijn grondwetsvoorstellen wilde redden, maar één mogelijkheid, en wel de handhaving van de oude teksten over de macht des konings naast het nieuwe artikel 55 (later 42:2): 'de koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk'. Over de andere belangrijke meer 'technische' wijzigingen spreek ik hier niet.

Dus: overal waar de grondwet sprak over 'de koning' dient men 'de ministers' te lezen. De nieuwe grondwet is een 'meesterlijke staatsrechtelijke vinding' genoemd, maar dat moet dan wel gezegd zijn door van elke wijsheid en praktisch inzicht verstoken monarchale opportunisten die belang hadden bij voortzetting van de oude praktijk. De koning behield immers grondwettelijk het opperbestuur over leger en vloot, financiën, oorlog en vrede, buitenlandse betrekkingen etc., hetgeen veel belangrijker werd geacht dan de – naar het gevoel sluipenderwijs ingevoerde – diametraal daaraan totaal tegengestelde interpretatie van art. 55, namelijk dat de koning elke verantwoordelijkheid voor het staatsbeleid aan de minister was kwijtgeraakt.

Achteraf lezend en studerend kan het nageslacht zich afvragen of het een en ander niet een beetje duidelijker en wat explicieter geformuleerd had moeten worden. Natuurlijk is dat zo. Echter de grondwet van 1848 was een compromis. Het ware onzin te ontkennen dat de voornoemde 'meesterlijke vinding' ons land toen een revolutie heeft bespaard, maar een politicus, staatsrechtgeleerde of gewone burger vraagt zich nu wel af of die revolutie toch niet veel beter tóen had kunnen plaats vinden. We zitten immers vandaag nog steeds - zo niet met een onvoltooide - alswel met een nooit begonnen revolutie. Meer dan anderhalve eeuw lang hebben we te maken gehad met de strijd over het genoemde nieuwe artikel van de onschendbare koning en de reeks andere niet-afgeschafte artikelen uit de grondwetten van 1814, 1815 en 1848 die de koning almachtig maakten. Ik herhaal hier nogmaals de grote angst van Pro Republica dat de twee garnalen met hun hof en met de 'hoge en de lage Lippe-luizen' - deze woorden schijnen nu reeds ingeburgerd te zijn – een terugkeer naar de pre-revolutionaire periode nastreven. Ik kom daar aan het slot van mijn betoog bij het bespreken van het zogenaamde ceremoniële koningschap op terug.

Hoewel het van meet af aan de schijn had dat de liberalen uiteindelijk deze constitutionele strijd zouden winnen, blijken zij in 2010 eerder gewonnen dan verloren te hebben. Zeker, de tijden van de eerste koningen behoren duidelijk tot een andere geschiedperiode, terwijl het onbestaanbaar is dat Van Amsberg nog eens de vloot naar Machangulo zal sturen, al was het een griezelige zaak toen Willem de Overbodige aan boord van de Evertsen gefotografeerd werd op zoek naar piraten in de Straat van Mozambique. Aan de andere kant zijn de garnalen – Zalm of geen Zalm- nog even tuk op het 'vreten uit de staatsruif' als destijds de gorilla's, terwijl de parlementariërs en de ministers - het is spijtig het te zeggen – geen knip voor de neus waard zijn.

 

3. WAAROM DIE MISLUKKING? [^inhoud]

a. Het Lippe-luizengedrag van ministers en volksvertegenwoordigers [^inhoud]

Aan de vraag hoe het mogelijk was dat een zo klaarblijkelijke overwinning als de liberalen in 1848 op hun conservatieve tegenstanders dachten te hebben behaald uiteindelijk op een bittere teleurstelling is uitgelopen kan ik hier niet achteloos voorbijgaan. Daar is in de eerste plaats het reeds gememoreerde belabberde feit dat in 1848 - alsook bij latere grondwetswijzigingen - veel te veel van die apekool uit 1814 bewaard gebleven is. Ik wil dat hier expliciteren. Wanneer de laatste koning (gorilla dus, niet garnaal ) zijn gevechten met minister Weitzel van oorlog – in die tijd was men wel nog zo eerlijk dat men oorlog gewoon oorlog noemde en geen vredesoperatie - uitvocht, kon de minister met nog zoveel overtuiging wijzen op art. 55 ('de minister is verantwoordelijk'), hij stond machteloos tegenover het duidelijk geschreven en nooit tijdig opgeruimde artikel uit 1815 dat 'de koning het oppergezag heeft over de vloten en legers' en dat 'militaire officieren door hem worden benoemd en ontslagen' (Kranenburg I 430-1).

Zelfs nu nóg denken ministers en officieren dat de koning de werkelijke opperbevelhebber is. Goed, ze zijn niet de snuggersten, maar kwantitatief zijn ze wel sterk. Al evenzeer als ten tijde van Willem III liep (en loopt) het dun door de broek bij de ministers als zij door de koningin(nen) werden ontboden. Die omgekeerde wereld speelt zich ook momenteel nog af. Van Amsberg schijnt er een satanisch genoegen in te scheppen de dames en heren voortdurend te laten voelen wat voor een minderwaardig soort burgers, om niet te zeggen dorpers, de ministers zijn als zij hen 'examineert'. Ze schijnt zelfs erger te zijn dan haar voorgangsters-moeders-des-vaderlands.

Het volk wacht nu nog vergeefs op een sterke man, die bij die vernederingen - want dat zijn ze - opstaat, de tafel figuurlijk op haar hermelijnen mantel in elkaar slaat en haar toebuldert waar ze in de naam van de Heilige Drievuldigheid, Thorbecke en Marx het godvergeten lef vandaan haalt om iemand die het volk vertegenwoordigt hier als een klein kind te behandelen. Misschien is het al eens een keertje gebeurd, maar weten we daar niets van vanwege het geheim van het Noordeinde of hoe die flauwe kul ook moge heten. Veeleer is het zo dat we vanwege diezelfde geheimhouding en al dat gemanipuleer in de geschiedschrijving niet eens mogen weten waarover de kleutertjes met elkaar hebben zitten keuvelen. De manier waarop Lubbers, Kok en onze tegenwoordige akela zich door moeder en zoon garnaal hebben laten behandelen, doet het ergste voor het verleden én de toekomst vrezen.

Wat hier van de ministers en vooral van de premiers gezegd is, geldt evenzeer voor het gros van de parlementariërs. Als er al eens een Kamerlid is dat zijn nek uitsteekt, is er die godvergeten fractiediscipline die een beter wetend volksvertegenwoordiger dwingt tot een beschamend haastig bezoek aan het toilet of aan de haringboer op de Kneuterdijk.

b. Het even walgelijke lage-lippe-luizen-gedrag [^inhoud]

Vervolgens is er het ellendige, ruggegraatloze gedrag van de lage Lippe-luizen, die om welke reden dan ook (aangeboren dom- en lafheid, financieel of ander belang, ondermaats onderwijs) hand- en spandiensten bewijzen aan deze familie van arrogante, hypocriete, uit de staatsruif vretende, documentvervalsende of wegmoffelende en voor de rest overbodige profiteurs, die, zoals ook bij stamboekvee te doen gebruikelijk is, niet naar kwaliteiten verwijzen maar zich beroepen op erfelijkheidspapieren.

We kennen allemaal uit onze omgeving: de Erica Terpstra's, de burgemeesters, de voorzitters van de oranjeverenigingen, de functionarissen van alle bestuurslagen, lieden die menen dat zij door kruiperig gedrag hun eigen carrière dienen. Zij organiseren oranjefeesten, staan te hijgen om mevrouw of mijnheer of de jonge dame een handje te kunnen geven of hun kleding even met de hand te kunnen beroeren en elkaar op de meeste bespottelijke wijze staan te verdringen om met dat mens op de foto te komen. Wat een walgelijke vertoningen levert dat op. Ik zou me kunnen voorstellen dat al die majesteiten of verhevenheden in hun hart een diepe verachting hebben voor dat kwijlerige en kruiperige gedrag,- hoeveel garen ze er ook bij spinnen.

c. Inwortelingspolitiek bij burgers, kooplieden en jeugd [^inhoud]

De derde verklaring voor de uiteindelijke zegepraal van het oranjegrauw moet gezocht worden in de eeuwenlange dynastieke ' inwortelingspolitiek' bij het volk. Door voortdurend 'in naam der koningin' wetten en besluiten af te kondigen, door alleen verzoeken die aan 'de majesteit' gericht zijn met een reactie te honoreren, door 'koninklijke' benoemingen, door het verlenen van onderscheidingen – '...het heeft hare majesteit behaagd...', door te pas en te onpas het predikaat koninklijk als een kwaliteitsgarantie te verlenen, door het graantjes meepikken bij sporttoernooien, ontvangsten ten paleize et cetera, zijn duizenden en duizenden simpele en minder simpele zielen bewuste of onbewuste enthousiaste, onbezoldigde verdedigers van de monarchie geworden.

Evenmin mogen we de rol van de kerk en het kerkelijk onderwijs onderschatten bij de indoctrinatie van het volk. Het protestantse onderwijs heeft de trits God, oranje en het vaderland zo de prille gereformeerde en hervormde hersentjes ingeramd dat het nu nog generaties zal duren vóór de epigonen van Balkenende weer normaal kunnen denken. Vroeger dachten de aanhangers van het bijzonder onderwijs dat de School met den Bijbel het voortbestaan van het reformatorisch christendom zou garanderen. Het heeft er inderdaad een tijdje de schijn van gehad dat dat ook gebeuren zou. Nu we echter de balans opmaken, blijkt dat het christelijk onderwijs de collaps van het christelijk denken hooguit een halve eeuw heeft kunnen vertragen én dat, voorzover er nu nog vruchten van te plukken zijn, deze niet of nauwelijks van religieuze aard meer zijn. De indoctrinatie van het onderwijs in bijna alle vakgebieden (muziek, taal, geschiedenis, aardrijkskunde, zelfs gymnastiek) is echter dermate heftig geweest - hoeden we ons er echter voor om de ene school gelijk te stellen met een andere, dat op politiek-maatschappelijk gebied het antipisme en de 'liefde' voor het vaderland – geïncarneerd en gesymboliseerd o.a. door Heinrich von Mecklenburg, Bernhard von Lippe Biesterfeld en Máxima Zorreguieta – bij een snel afnemend gedeelte van onze gereformeerde landgenoten nog steeds de alfa en de omega van het leven is. En dat ondanks het alom bekende feit de Van Amsbergers nauwelijks van roomse smetten vrij te pleiten zijn, dat de hele familie onkerkelijk dan wel atheïstisch geworden is, en dat zijzelf dus ook niet meer schijnen te geloven in die onverbrekelijke band tussen God en vaderland.

Wat hier van het protestantse onderwijs gezegd is, geldt a fortiori voor het katholieke onderwijs, zij het dat de ontwikkeling eigen wegen gevolgd heeft. Vroeger werd gezegd dat Gods wegen 'onnaspeurlijk' zijn. Het zal best zo zijn, maar de historicus stelt simpelweg vast dat ter bestrijding van de rebelse Belgen op de Brabantse hei in de dertiger jaren van de 19e eeuw een Hollandse strijdmacht gelegerd lag onder het superieure veldmaarschalkschap van de held van Waterloo (1815), die bij zijn talloze bezoeken aan Brabantse schonen af en toe ook zijn hart uitstortte bij een Tilburgse pastoor, die hem zelfs de Heilige Sacramenten zou hebben toegediend, waardoor de aanstaande koning in geur van heiligheid in Tilburg gestorven zou zijn. Allemaal pia fraus natuurlijk. Nu geviel het dat deze simpele pastoor Johannes Zwijsen niet alleen later door God zelf werd uitverkoren tot bisschop en zelfs tot aartsbisschop maar ook de stichter was van talloze mannen- en vrouwencongregaties die zich met liefdewerken en onderwijs bezighielden.

Geen kwaad woord op deze plaats over deze brave borst en evenmin over de talloze zusters- en fratersscholen, die - en niet alleen in het voormalige Generaliteitsland - voortreffelijk onderwijs hebben gegeven maar ook maatschappelijk een zegen waren voor de stad en de streek waar zij gevestigd waren. Terecht mag het nageslacht trots op deze pioniers zijn.

De kindjes werden echter niet alleen opgevoed in wijsheid en godsvrucht, maar ook in bewondering voor de grote Zwijsen en diens koninklijke vriend, die de eeuwenlang onderdrukte katholieken de vrijheid had gegeven om alles te doen wat lang verboden was. Willem moge dan uiteindelijk niet zelf tot de eer der altaren verheven zijn, hij had die uitverkiezing zeker verdiend. Nu heeft hij zich tevreden moeten stellen met een voetbalclub, waarmee zijn talloze Tilburgse bastaarden diens naam vereeuwigden... nu ja, vereeuwigden..?

Het moge inmiddels duidelijk zijn dat de fraters en zusters overal waar zij zaten, als een noodzakelijke aanvulling op het heilig Evangelie de voortreffelijkheid van de tweede oranjevorst hebben verkondigd, in wie geen kwaad kon worden gevonden en van wie zij nog minder enig kwaad wilden horen. Willem II werd het symbool van de voortreffelijkste oranje-monarch, aan wie het gaarne vergeven werd dat hij een zoon van Willem I was en een achter-achter-kleinkind van al die vroegere onderdrukkers van het ware geloof.

Of de familie zelf van die tweede Willem met die roomse adoratie erg gelukkig was, mag ernstig betwijfeld worden, maar is hier niet relevant. Hier gaat het er alleen om dat in die blinde verering voor die tweede Willem ook de hele progenituur werd meegezogen, of het nu om Lippe, moeder Van Amsberg of Piet van Vollenhoven ging of om Zorreguieta, juffrouw Los en Petra, in elk geval om de hele mikmak. De fraterlijk en zusterlijk opgeleide lagere-school-jeugd stond vooraan bij elke aubade of serenade het Wilhelmus te blèren waar ze overigens geen klap van begreep. Veel erger was dat op de middelbare school het meer wetenschappelijk opgeleide personeel bij deze geïnfecteerde leerlingen geen poot aan de grond kreeg. Hij of zij mocht nog zó beslagen ten ijs komen, wat de docent vertelde over de niets-te-betekenen-hebbende macht van de onschendbare koning en de sinds 1848 alles-voor- het-zeggen-hebbende minister, was gelogen, verzonnen door jaloerse lieden van 'boven de rivieren' die vroeger met allerlei trucs hun het geld uit de zak geklopt hadden, en nu met hun schone verhalen hun het dierbaarste kwamen ontnemen, wat ze op aarde bezaten - het huis van Oranje, de grootste vrienden van God de Vader.

Rectoren en schoolbesturen, onder druk gezet door een woedende frater- of zuster-generaal, kwamen in de grootste problemen, drongen aan op het doceren van de echte waarheid maar konden ter voorkoming van nog grotere problemen niet anders dan berusten in het onmiskenbare bestaan van allerlei soorten waarheid.

Evenals bij de gereformeerde medebroeders, zijn geleidelijk aan en samenvallend met de kwaliteitsvermindering van het onderwijs – ook in het katholieke onderwijs de waarheidsvinding – en daarmee ook de afkeer van de walgelijke verafgoding van het vorstenhuis – sterker geworden. Over enkele decennia zullen de laatste restanten er van geheel verdwenen zijn.

d. Het huis des konings [^inhoud]

Tenslotte is er natuurlijk het' huis des konings', dat met zijn tientallen - zoniet, honderden - door de gemeenschap betaalde lakeien de familie Van Amsberg in de gelegenheid stelde en stelt om tot een staat in de staat uit te groeien door zich binnen en buiten de officiële kanalen te bemoeien met allerlei zaken die de familie in feite geen snars aangaan.

De strijd die Pro Republica voert – de klacht is al meerdere malen geuit – is een ongelijke. Tegenover de amateurs van Pro Republica, dat leeft van contributies van 15 euro per lid per jaar, staat niet alleen een puissant rijke – dat is, rijkdom met een luchtje – familie, die het hoogste inkomen – volgens de laatste gegevens meer € 100 miljoen per jaar - opstrijkt, weergaloos gierig is, geen belasting betaalt, daarvoor niet of nauwelijks één poot uitsteekt en wanneer ze dat doen, dat dan ook nog aan zaken waaraan geen enkele behoefte bestaat.

Terwijl Pro Republica geen eigen bureautje kan betalen, geen personeel heeft, op kleine zolderkamertjes het werk doet, alles zelf repareert, enz. enz. zitten de vorstelijk betaalde deftige dametjes en heertjes achter grote bureau's die van alle gemakken voorzien zijn in majestueuze paleizen en kantoren. Hun enige taak is te zorgen dat Van Amsberg kan blijven zitten. Er is veel onrecht in deze wereld.

 

4. HET NIET EINDIGENDE GEKLUNGEL MET DE ONSCHENDBAARHEID [^inhoud]

Van begin af aan is duidelijk geweest dat het grondwetsartikel niet 55 niet werkte. Niet dat het niet góed werkte, het werkte überhaupt niet. Niet alleen het volk en de onderwijsgevenden – van onderwijzer tot professor - begrepen er niets van en klungelden er maar wat op los; de politici zelf kronkelden zich in allerlei bochten om aan de ene kant het volk de schijn van zijn soevereiniteit te laten behouden maar aan de andere kant het niet aandurfden om de dynasten en hun familie hun macht, geld en streken te ontnemen, want daar kwam het in feite natuurlijk op neer.

De angst voor de boosheid van de monarch - en daarmee voor een revolutie - is sinds 1848 zichtbaar en voelbaar op het Binnenhof aanwezig geweest. Het was daarom dat ministers en Kamerleden hun stinkende best deden om de ondefinieerbare onschendbaarheid en verantwoordelijkheid toch in een definitie te vangen, wat in voorspelbare mislukkingen resulteerde. Zo bedachten de regeringen allerlei soorten onderscheid tussen publiek (wat wel onder de ministeriële verantwoordelijkheid viel) en privé, datgene dus waar volk en volksvertegenwoordigers niets mee te maken mochten hebben. Daar er nooit een grens tussen particulier en publiek te trekken valt, zijn de ruzies daarover vanaf 1848 tot op heden niet van de lucht geweest. Ieder herinnert zich van de laatste tijd nog wel de privévliegreisjes op gemeenschapskosten van Van Amsberg die zonodig drie of viermaal per week zijn in Amerika wonende vriendin enkele kusjes op de hete lippen moest drukken of daar andere hoogst belangrijke zaken moest verrichten; de schandalige fotosessies waarmee de garnalen hun met gemeenschapsgeld betaalde privégeneugten probeerden af te kopen; de 'studie'reis naar Antarctica en zo voort.

Zo is er anderhalve eeuw lang gerotzooid over de begrippen privé en publiek en over de onmogelijke afbakening tussen die twee begrippen. Pro Republica heeft tot op de dag van heden vol gehouden dat die grens niet bestaat en dat alles wat privé is – op de WC-, bad- en slaapkamergeheimen na – publiek is. Neen, beweerden juist de dynasten: alles wat publiek is, is eigenlijk privé, waar burgers niets mee te maken hadden. Vanzelfsprekend deden ze dat niet omdat ze de minister er zonodig bij wilden betrekken, maar juist om die betrokken minister te kunnen laten verklaren dat deze er over - we denken hier nu allemaal natuurlijk aan Machangulo en Patagonië - was ingelicht, zodat het hier inderdaad particuliere zaken betrof en dat pers en publiek er nu dus niets mee te maken hadden. Als er al Kamervragen kwamen, dan kon de minister ook nog antwoorden dat het geen staatsrechtelijke gewoonte is om over zaken en zeker geen particuliere zaken tussen minister en koning verantwoording aan de Kamer af te leggen! Jawel, zó gaat dat. De ministeriële verantwoordelijkheid was ontaard van een middel om de macht van de koning aan banden te leggen naar een efficiënte methode om diens macht te versterken.

Inmiddels ging het allang niet meer over één persoon, het staatshoofd. De vraag naar de verantwoordelijkheid voor meer dynasten was alsmaar klemmender geworden door het aangroeien van de meute van één gemaal tot reeksen (klein)-kinderen. Was het al dwaasheid dat de minister verantwoordelijk was voor één ander mens, het was helemaal bij de wilde beesten af dat hij nu ook nog verantwoordelijk werd geacht voor het doen en laten van allerlei soorten echtgenoten, al dan niet met instemming van de Kamers aan de dynastie gekoppeld. Dit noemt men zalvend de 'afgeleide' ministeriële verantwoordelijkheid.

Ook tegenstanders van die hele 'artikel 44:2 –flauwe-kul ' brengen nog wel enig begrip er voor op dat bij een goedwerkend (quod non) onschendbaarheidssysteem, de minister precies wil weten wat voor vlees hij in de kuip had met die Emma, Heinrich, Lippe, Irene, Vollenhoven, Zorreguieta en noem ze maar op. Maar zij begrijpen niet waarom de héle reutemeteut telkens door de mater familias als onschendbaar werd voorgedragen. Uiteraard is er dan ook door de diverse regeringen ook over het 'wie wel en wie niet' uitgebreid geruzied. Allemaal zonde van de tijd. Hebben we wel eens er over nagedacht wat zo'n monarchie aan tijd energie en geld opslurpt? Alleen dát al is voldoende reden de zaak bij het afval te dumpen. Hoe dan ook, Mevrouw Lippe-Mecklenburg, onnozel als ze was, wilde van geen verdeling in A- en B-prinsen weten. Wat A- en B-prinsen? Nederland kent alleen burgers! Mevrouw had gewoon haar domme mond te houden. Voor haar was het echter einde verhaal. Niettemin was het van meet af aan ook duidelijk dat mevrouw het onderspit zou delven, gegeven de niet te temmen promiscuïteitsdrang van de kinderen Lippe. Zo ontstond in de jaren '70 toch het systeem van de meerdere en mindere – afgeleide – ministeriële verantwoordelijkheid.

Een ander deel van de collectie clanleden betrof de gescheiden zusjes van het staatshoofd. Als ik het allemaal goed gevolgd heb – in feite interesseren ze me geen zier - wordt er terzake van de dames, die hoewel ze zichzelf in de eerste plaats als 'familie van' beschouwen, een C-categorie verondersteld te bestaan. De premier, die zijn handen al vol heeft met dat gedonder van die A- en B-groep, heeft nauwelijks energie en tijd beschikbaar om zich ook nog met dat gehannes van de rest te bemoeien. Het systeem van de 'nog sterker verminderde verantwoordelijkheid' wordt dan ook gekenmerkt door een nog grotere inconseqentie dan bij de andere. Er wordt gewoon met de pet naar gegooid.

 

5. DE PUINHOOP NU, TEVENS ENTERTAINMENT [^inhoud]

Na alle ellende die volk en regering al hadden gehad met de oudste zoon Van Amsberg en zijn vriendin, verloofde en echtgenote kijkt het duo begerig uit naar het nóg grotere geld en beraamden grote affaires in Mozambique en Patagonië. Allemaal zogenaamde privézaken. De verantwoordelijke minister-president lag te slapen. Pas toen Pro Republica hard aan de bel trok in zake het geklooi van de garnalen ontwaakten parlement en regering en werd art. 44:2 even geactiveerd.

Constantijn, de man van Petra Bronkhorst (D66: 'alles moet anders') trekt zich niets aan van de verantwoordelijke Balkenende, en treedt zonder enig protest toe tot de ambtelijke staf van Eurocommissaris Kroes, terwijl - en omdat - er destijds ook geen bezwaar gemaakt was tegen het lidmaatschap van zijn broer tot de directie(!) van de Nederlandse Bank. Overal waar geld en macht zijn, tref je Van Amsbergers aan.

De B-profiteurs zijn van hetzelfde laken een pak. De vrijbuiter Maurits – wie in 's hemelsnaam vernoemt zijn kind naar zo'n schobbejak? - even brutaal en arrogant als zijn vader en (van moederskant) als zijn opa is nu weer in het nieuws met zijn impertinente overtredingen van de aanbestedingsregels. Vollenhoven trekt zich niets aan van de minister–president, die zelf te laf is om hem ter verantwoording te roepen, en declareert in strijd met alle voorgeschreven aanbestedingsregels voor een aanvraag bij een andere regeringsintellectueel ruim € 200.000, op welk bedrag mijnheer denkt recht te hebben vanwege zijn indrukwekkende relaties.

Zoals de regering naar oplossingen zocht voor het probleem van de ministeriële verantwoordelijkheid – waarvan o.a. door sabotage van de dynasten dus niets terecht kwam - zo deden dat ook de Van Amsbergers. Hun aandeel aan de oplossing van het probleem bestond uit in het opblazen van ballonnen en het leggen van rookgordijnen. Dat wilde zeggen dat ze gewoon hun gang bleven gaan, maar hun slecht imago als patsers en graaiers en patjakkers probeerden te verdoezelen door hun aantastbare claims naar de achtergrond te drukken, door het voortdurend loslaten van kreten over hun wijsheid, goede bedoelingen en oprechte liefde voor het vaderland. Mits natuurlijk die volksproleten dan ook met hun tengels van haar positie, geld en macht afbleven.

Zo gaf het opperhoofd der familie – vrienden, barst niet in lachen uit - met grote instemming van Tjeenk Willinks cum suis die zich op deze wijze althans deels van een loodzware last hoopten te ontdoen – het consigne uit aan elk lid van de familie aan sociaal werk 'te gaan doen', waarmee den volke moest worden duidelijk gemaakt, hoe overbodig in feite de ministeriële verantwoordelijkheid voor dit eerlijk soort Übermenschen was. Zo mochten ze voortaan van nooit meer de maximumsnelheden op de Nederlandse en Duitse Autobahnen overtreden, geen successierechten via sluiproutes ontduiken, niet frauderen bij elf-stedentochten en dergelijke. Maar daar bleef het niet bij. Neen, ze moesten ook veel 'positieve' dingen gaan doen. Daarbij hadden ze niet eens in de gaten hoe onsterfelijk belachelijk ze zich daarmee maakten. Zo had garnaal, die de hele dag met zijn ziel onder de arm liep te lanterfanten, zich al moeten 'specialiseren' in het voorlezen van door ambtenaren geschreven nota's over water, wat hem in elk geval de lachlust van de internationale goegemeente opleverde, terwijl zijn tot op het bot verwende en in de watten gelegde echtgenote arme allochtoonse vrouwen moest gaan leren hoe ze zuinig met hun huishoudgeld dienden om te gaan. De dames Los en Petra en de hele Vollenhovenfamilie gingen ook iets bijzonder nuttigs doen. Vergeef me dat ik niet meer precies weet wat het was, maar het was wel zéér nuttig. Het hoogtepunt van deze idioterie was dat Van Amsberg herself een stijf gesteven schort rond haar middel bond en daarmee uitgedost één zaterdagochtend per jaar in de kantine van een oudeliedenhuis bestellingen voor koffie en soep opnam, waarna ze de consumpties ook nog zonder al te opvallend geknoei rondbracht.

Al dat gratis amusement was bedoeld als een correctie op die dwaze ministeriële verantwoordelijkheid voor mogelijk slecht gedrag van de vorst, wat zoals iedere keer bleek, volledig overbodig was. De hele clan was één collectie brave borsten, die het niet in hun hoofd zouden halen iets te doen waarvoor een minister zich dan diende te schamen.

Ik vergat nog te vermelden dat mevrouw het opperhoofd ook nog op andere wijze het voorbeeld gaf, zoals de door Apollo bezielde Pythia strooit ze op eerste kerstdag voor de televisie een aantal orakelspreuken rond, waaruit de enkele luisteraars kunnen opmaken welke graad van huichelachtigheid haar preken inmiddels bereikt had.

 

6. SUMMA SUMMARUM [^inhoud]

Nederland verkeert momenteel in een bizarre situatie: aan de ene kant wil ieder denkend burger dat die oude monarchale brik zo snel mogelijk in een museum wordt opgeborgen, terwijl aan de andere kant dat antieke voertuig met daarin een stel Godsgeschenken rijdt, naar alle kanten zwalkend alsof ze zeggen willen dat 'ze er nog steeds zijn', over de snelweg naar de Nederlandse Place de la Bastille, de revolutie tegemoet. En dat, terwijl verstandige en geweldloze Pro Republicani – keurige mensen die geen bloed kunnen zien en daarvoor door velen zeer onheuselijk worden bejegend - alsmaar roepen: 'Schei toch uit met die poppenkast, gebruik je hersens als je die hebt en pak je biezen, vóór er echt ongelukken gebeuren'.

Enerzijds – versie A - wordt door deskundigen beweerd dat ons bestuurlijk systeem door-en-door democratisch is en het staatshoofd niet meer is dan een vlag is die de lading niet dekt of een antieke vaas op een moderne kast of een toet bedorven slagroom op een mokkataart, terwijl - versie B - andere experts ons er op wijzen hoe machtig juist die Van Amsbergers zijn – de zwarte doos van het bestuurlijk apparaat – die doen en laten wat ze willen en wat een door de platvoeten van Van Amsberg vermorzelde wormen onze – verantwoordelijke! - ministers en Kamerleden zijn en - als klap op de vuurpijl – welk een gigantische som gelds de gemeenschap jaarlijks uitgeeft voor dat volk, hetgeen wel het ultieme bewijs van hun nuttigheid is. Ik daag iedere bezoeker van deze website en iedere lezer uit zich concreet uit te spreken welke versie de zijne of hare is.

Het zal ieder duidelijk zijn dat er tussen deze twee wegen geen middenweg bestaat. Niettemin lanceren sommige royalisten wel eens de gedachte dat een ceremonieel koningschap zowel voor hen als wellicht ook voor republikeinen een aanvaardbare tussenoplossing zou zijn. Afgezien van het feit of het conservatieve volk en het hof zelf met zo'n synthese zouden willen instemmen – tot nu toe blonken de dynasten niet uit in soepelheid, intelligentie en begrip voor moeilijke situaties - is het de vraag of zo'n ceremonieel koningschap wel de gewenste oplossing biedt voor de staatsrechtelijke crisissituatie die de wankelende monarchie nu aan de rand van de afgrond heeft gebracht. Het gaat immers om macht en het daaraan verbonden aanzien en de niet-geringe revenuen. Het hof zal daar afstand van moeten doen, goedschiks of kwaadschiks. Met dat laatste woord bedoel ik beslist niet de inzet van wapens. Daarvan houden wij ons verre. Hoe de tegenpartij denkt, weet ik niet. Misschien wil zij het bij wat tromgeroffel en een enkel afscheidssaluut laten, hoewel wij ook dat zeer zullen betreuren. Wie de ontwikkelingsgang der mensheid en zijn plaats daarin kent, weet maar al te goed dat geweld slechts vertraagt en niets oplost.

Het belangrijkste argument dat ik echter tegen een ceremonieel koningschap kan aanvoeren is de geschiedenis van de parlementaire democratie. Het in 1848 ontwikkelde systeem kan niet anders worden samengevat dan als dat van een ceremonieel koningschap avant la lettre. De hier geschreven studie is een waarschuwing tegen onkunde en nadenkendheid.





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander