Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
De omzwervingen van Erfprins Willem
Fré Morel

Sinds de smadelijke aftocht van zijn vader was prins Willem Frederik - ook wel de 'Erfprins' genoemd - in het begin onafgebroken in touw geweest om de macht over Nederland terug op te eisen. Als rasechte opportunist liet hij geen middel ongebruikt. Hij was een groot bewonderaar van keizer Napoleon en schrok er dan ook niet voor terug om - samen met de steun van enkele oude regenten - plannen te ontwikkelen om onder Frans gezag de stadhouderlijke macht te herstellen met zichzelf aan de macht. Met dit plan schopte hij wel tegen het zere been van vader Willem 'Batavus' en 'asiel-land' Engeland, die er de voorkeur aan gaven de Fransen uit de Lage Landen te verdrijven in plaats van op de een of andere manier met hen te collaboreren. In 1801 liet Willem via zijn afgezant d'Yvoy (oftewel Maximiliaan d'Hangest) in Frankrijk informeren of er een mogelijkheid bestond dat hij - Napoleon dienende - als 'Eerste Consul' de Nederlandse Republiek zou kunnen gaan besturen. Tegelijk wilde hij pleiten voor het behoud van de eigen 'Nassause Landen' waarvan de geruchten gingen dat Napoleon deze wilde inzetten als herstelbetalingsmiddel, samen met Duitse katholieke bezittingen. De door Frankrijk geannexeerde linker-Rijnoever zou op deze wijze aan de gedupeerde landeigenaren worden gecompenseerd. Het voorstel van de erfprins werd niet direct van de Franse tafel geveegd en op 25 februari 1802 bracht hij op uitnodiging van Napoleon een bezoek aan Parijs, waar hij - volgens de 'Gazette de Leide' - om twee uur die middag aankwam. Buiten dat Napoleon hem negeerde (de adjudant van de erfprins schreef later: "he has not taken the least notice of him") werd hij verder met alle égards behandeld. Voor de erfprins lag voorlopig geen hoge post in het verschiet. Een plaats op de reservebank was het enige wat men hem wilde toezeggen. Met name door Charles-Maurice de Talleyrand-Périgord - de Franse minister van Buitenlandse Zaken - werd de erfprins gewogen én te licht bevonden. Een schadevergoeding zou eerder binnen de mogelijkheden liggen, áls de prins tenminste namens de Oranjes afstand zou doen van alle (machts-) aanspraken. Ook prins Willem Frederik wikte en woog zijn kansen met als resultaat dat hij zijn vader Willem Batavus schriftelijk liet weten dat hij zich - wat Nederland betrof - ontheven achtte van al zijn verplichtingen.

Koninklijke afkoopsom
Geleid door de nieuwe omstandigheden richtte erfprins Willem Frederik zich daarop als vastgoedontwikkelaar op het uitbreiden van het familiebezit. In Pools Silezië kocht hij grote gebieden aan, zoals de abdij Camenz, die aansloten bij de bezittingen die al familiebezit waren. De pachtopbrengsten van deze én andere gebieden leverden de erfprins zo'n slordige één miljoen gulden per jaar op, voor de op grote voet levende prins echter nauwelijks voldoende. Het weggevallen Nederland als inkomstenbron leverde per jaar naar schatting alleen al twéé miljoen harde guldens op. Na wat rekenwerk, waarin ook alle verloren paleizen, buitenverblijven en andere onroerende bezittingen in Nederland en Duitsland waren verwerkt, kwam er een totaalplaatje op de prinselijke tafel van maar liefst 117 miljoen gulden. De erfprins diende hiermee een ongekend hoge claim in bij Frankrijk én de Bataafse Republiek voor het verlies van 'zijn' wingewest. Met verwondering en verbazing werd de astronomisch hoge claim ontvangen, beoordeeld en afgewezen, zo'n hoog bedrag was ronduit onbespreekbaar. De Oranjedomeinen waren in 1795 door de Fransen in beslag genomen en door de Bataafse Republiek van de Franse regering weer teruggekocht. De Batavieren peinsden er niet over om tweemaal de geldbuidel te moeten trekken. Om dat te voorkomen had Schimmelpenninck bij de vredesonderhandeling van de 'Vrede van Amiens' in een geheime overeenkomst met Frankrijk laten vastleggen dat Frankrijk de schadeloosstellingen aan de Oranjes op zich zou nemen. Uiteindelijk kwamen alle partijen ("de erfprins wist Talleyrand en anderen om te kopen") een afkoopsom overeen van 22 miljoen gulden, met de bepaling dat deze miljoenen pas inbaar zouden zijn ná afloop van de oorlog of door ondertekening van een vredesverdrag tussen Engeland en Frankrijk.

Fulda als herstelbetaling
Het Duitse bisdom Fulda, Corvey, en de abdij Weingarten, de stad Dortmund in Westfalen en de stadjes Isney en Bruchhorn in Zwaben werden als bonus aan de 'herstelbetaling' toegevoegd. 'Herstelbetalingen' die overigens niet zonder smeergeld buitgemaakt werden. Fulda had de erfprins 100.000 francs steekpenningen gekost waarvan de inhalige Talleyrand alleen al 50.000 francs voor zichzelf opeiste. De erfprins toonde zich zeer teleurgesteld over het totale aanbod. De 113.000 inwoners in die gebieden waren nauwelijks goed voor een jaaropbrengst van 500.000 gulden, een kwart van wat Nederland per jaar opleverde. Desondanks bleef hij zich onverstoord inzetten om bij Napoleon Bonaparte in de gunst te komen, en dat op een manier die niet bij iedereen in goede aarde viel, zelfs de Orangist Gijsbert Karel van Hogendorp walgde ervan. Om zijn eigen kansen te vergroten had de erfprins bij vader en ex-stadhouder Willem V er op aangedrongen om zijn volgelingen niet verder te verplichten zich 'aan het staatsbestuur te onttrekken'. In 1801 volgde dan ook vanuit Oranienstein het schriftelijke bericht dat Willem V van zijn kant geen bezwaar meer maakte als zijn volgelingen weer bestuursfuncties zouden bekleden. Van Hogendorp wees demonstratief elke samenwerking met de Franse bezetters van de hand en die houding schoot bij de erfprins weer in het verkeerde keelsgat. Hij vond dat de weigerachtige houding van Van Hogendorp een negatieve reactie opriep bij keizer Napoleon waardoor zijn eigen kansen weer verkleind zouden worden.

Engels jaargeld
De prinselijke pogingen sloegen niet aan en teleurgesteld over de afwijzende houding van de keizer ging de erfprins naar Engeland waar men zich - door zijn collaboratief gedrag - behoorlijk koeler tegenover hem opstelde. Om hem wat 'hanteerbaarder' te maken en tegelijk financieel wat (on-) afhankelijker, ontving hij van Engeland een jaargeld van zo'n 10 duizend pond, dat als bindmiddel uitstekend bleek te werken. Om zijn Engelse 'uitkering' niet in het gedrang te laten komen besloot de erfprins in 1804 demonstratief weg te blijven bij een door keizer Napoleon georganiseerde ontvangst voor 'bevriende vorstenhuizen' die uitgenodigd werden om deel te nemen aan het Napoleontische 'Rijnverbond'. Hierdoor liet hij zich opnieuw behoorlijk in de kaart kijken en de 'kleine generaal' zou zich er nogal over opwinden, zijn kansen om via Napoleon op de Nederlandse troon te komen waren daardoor aanmerkelijk gedaald. Toen de erfprins later meende dat er een kans was om via de Pruisische koning de Nederlandse touwtjes weer in handen te krijgen, vocht hij - tegen forse betaling - aan Pruisische zijde mee. In de gevechten bij het Duitse Auerstedt werd hij in oktober 1806 door de Fransen krijgsgevangen gemaakt, maar later op zijn 'woord van eer' weer vrijgelaten. Voor prins Willem waren alle kansen verkeken. Lodewijk, de broer van Napoleon, was nu op de Nederlandse troon gezet en het bisdom Fulda werd de prins als straf voor zijn collaboratie met Pruisen weer onteigend. Voor het verlies van 'zijn' landen kreeg de 'erfprins' een jaarlijkse afkoopsom van 60.000 gulden toegewezen.

De Schooi- & bedelprins(en)
De 'erfprins' sloeg opnieuw aan het vlijen en kruipen om bij Napoleon in de gunst te raken en smeekte hem schriftelijk of de onteigening van Fulda ongedaan gemaakt kon worden. De gênante smeekbede werd door Napoleon in eerste instantie op 7 november 1806 met een schamper briefje afwijzend beantwoord. Maar de erfprins was vasthoudend en tot drie keer toe smeekte hij Napoleon haast om teruggave van zijn Fulda. Napoleon reageerde niet meer op zijn smeekbedes. Daarop probeerde de 'erfprins' steun te vinden bij Tsaar Alexander van Rusland, maar dat bleek een dood spoor en mokkend trok hij zich terug op zijn Poolse landgoed, dat o.a. bestond uit dat van Widzim en Raçot. Gebieden waarvoor de niet bepaald armlastige 'Oranjes' een slordige 1,5 miljoen gulden op tafel hadden gelegd. De Nederlandse 'erfprins' was niet de enige die bij Napoleon nederig aanklopte met bedelverzoeken. In oktober 1807 arriveerde een andere Duitse prins - Leopold van Saksen-Coburg - in Parijs. Hij wilde de keizer helpen herinneren aan zijn belofte om het kleine hertogdom Coburg-Saalfeld uit te breiden met het aangrenzende prinsdom Bayreuth en hij had ook wel oren naar een functie binnen de Napoleontische machtskliek. Deze jonge charmeur kreeg de Franse keizer voorlopig niet te spreken en hij moest zich tevreden stellen met keizerin Josephine en haar dochter Hortense de Beauharnais die in ruil daarvoor een goed woordje voor hun gigolo deden. In maart 1808 lukte het hem uiteindelijk om de keizer te spreken maar het lukte hem niet om zich binnen de Napoleontische kring te wurmen: "Nooit wil ik een Duitser aan mijn hof!" Het prinsdom Bayreuth kon hij ook op zijn buik schrijven en Leopold droop af naar Coburg.

Toen later via de Keizer van Oostenrijk nieuwe kansen leken aan te breken, was de 'erfprins' direct bereid om met de Oostenrijkers ten strijde te trekken en raakte hij daarbij gewond in de slag bij Wagram die op 5 en 6 juli 1809 gestreden werd. Mét de 'erfprins' raakten ruim 19.000 Oostenrijkse jongens gewond en zou een zelfde aantal finaal leegbloeden op het 'veld van eer', samengeteld ruim 28% van de Oostenrijkse strijdmacht. Uiteindelijk kwam héél Duitsland onder de Franse knoet en de 'erfprins' trok zich na de Vrede van Wenen terug op zijn landgoed in Silezië. Hij leverde een gepeperde nota van £ 5.000,00 in bij de Engelse schatkist 'voor in het belang van dat land verleende diensten'. De 'erfprins' moest geduld uitoefenen, pas na zeven maanden kwam Engeland met de betaling over het Kanaal aanvaren. Door zijn opportunistische manier van doen had de 'erfprins' in veel omringende landen aan sympathie ingeboet, de 'hogere kringen' hadden nogal wat op hem aan te merken. Men vond hem koppig, stroef, gesloten, niet loyaal, eerzuchtig, gierig, traag, besluiteloos en daar bovenop ook nog een slecht spreker, alles bij elkaar een waslijst van minder goede eigenschappen. Eigenschappen die overigens niet uniek waren voor de 'erfprins' en ook in ruime mate terug te vinden waren in de 'hogere kringen' die zo vernietigend over hem oordeelden. In Engeland had hij voor velen afgedaan en om de banden wat te verbeteren stuurde hij - op aandringen van kapitein Jean Victor de Constant Rebèque - zijn op 6 december 1792 geboren zoon Prins Willem naar Engeland om hem zijn studie daar te laten afmaken. Het voorstel van De Constant de Rebeque - de mentor van zijn zoon - zou een prima politiek-strategische zet zijn. Zoonlief slaagde er weer in sympathie voor het huis van Oranje te winnen. Men vond hem nou niet bepaald een "uitgesproken intelligent", maar wél "uitgesproken charmant jongmens". De Constant de Rebeque vond hem 'een bedorven en teêr kind', maar weet dit aan de door oorlogsomstandigheden gebrekkige opvoeding. Een bijkomend argument voor de prinselijke verhuizing was een mogelijk te bedisselen huwelijk tussen prins Willem en prinses Charlotte van Engeland. Want ja.., 'Noblesse oblige', oftewel Adel verplicht. De Hertog van Wellington was in elk geval erg gesteld op de jonge Willem en de wildste geruchten deden daarover de rondte, waaronder die van de 'herenliefde'. Hoewel Wellington een zwak voor hem had, vond hij daarnaast dat er niet teveel van hem als mens verwacht moest worden. 'Too much is not to be expected from him' (Teveel kan er niet van hem verwacht worden).

Nieuwe Kansen
Nadat Napoleon in Rusland was verslagen en deze berichten langzaam doorsijpelden, maakte de 'erfprins' zich op om zijn erfrechten op Nederland op te eisen, de definitieve afkoop was immers nog niet afgehandeld! Hij zette zich in beweging en vertrok naar Engeland om 'at hand' te zijn zodra het uur der waarheid zou aanbreken. Bankroet was de erfprins nou niet bepaald. Op dát moment werd zijn totale vermogen geschat op zo'n 12 miljoen gulden en dat in een tijd dat een vakman zo ongeveer 365 gulden per jaar verdiende. Een erg gelukkige hand in zaken had de erfprins echter niet, het merendeel van het vermogen kwam uit pachtgelden en bezittingen. Voordat hij in november 1813 zou afvaren naar Scheveningen had hij zich opnieuw in een onzeker avontuur gestort door vennoot te worden van een brouwerij die kort daarna op het punt stond om failliet te gaan. Voordat hij zijn erfrechten echter kon opeisen zou er nog wel heel wat water door het Nauw van Calais stromen. Engeland gaf de voorkeur voor zijn - op dat moment veel sympathiekere - zoon om op de 'Buffertroon' geplaatst te worden dat zou moeten bestaan uit een 'vergroot Holland' zoals Viscount Castlereagh dat in juli 1813 op het Engelse verlanglijstje geplaatst had. Pruisen en Rusland leken het hiermee niet direct eens te zijn, voor hen kwam behalve de 'erfprins' óók Graaf de St. Leu (de voormalige Nederlandse koning Lodewijk Napoleon) als nieuwe landsbestuurder in aanmerking voor die post, zonder overigens voorbarige toezeggingen of uitspraken te doen.

Drie Graven in actie
Het trio Orangistische Graven: Gijsbert Karel van Hogendorp, Adam Frans Baron Van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum lieten er ondertussen geen gras over groeien. Uit Groningen en Overijssel druppelden al berichten binnen dat voorhoedes van de Kozakken het land binnengetrokken waren en de Franse generaal Molitor had al bevel gekregen om zich met zijn troepen op Utrecht terug te trekken. Franse bezettingstroepen uit Groningen sloegen per schip op de vlucht, terwijl ze 80.000 gulden als buit met zich meevoerden. In de haven van Zoutkamp werden ze bij verrassing overvallen door een groepje van 9 Groninger schippers, onder aanvoering van schipper Roelof Schenkel. In de veronderstelling dat ze met een overmacht te maken hadden, lieten de 32 Franse militairen zich één voor één dwingen om ongewapend uit het ruim omhoog te komen. De Franse krijgsgevangenen werden naderhand in triomftocht - mét geld en al - naar de stad Groningen teruggevoerd. Op 11 november 1813 werd in Groningen bekend dat de stad Aurich al op 8 november door de Russen was ingenomen. Het waren ook de nuchtere Noordelingen die met verbeten koppen de brandaanval inzetten op de gehate douanehuisjes en gendarmerieën. In het Groningse Winschoten en in het Drentse Hoogeveen en Meppel braken de eerste gewelddadige rellen uit. Op zaterdag 13 november 1813 trokken de eerste Franse eenheden zich uit Amsterdam terug en op zondag 14 november 1813 trokken Alphense opstandelingen hun stoute schoenen aan en trokken op naar Amsterdam. Ze droegen vaandels met zich mee en zongen opruiende liederen. In de nacht van zondag 14 op maandag 15 november 1813 had het hele Franse garnizoen de hoofdstad verlaten.

Omwentelingen
Op maandagavond 15 november 1813 werden ook in Amsterdam de gehate houten Franse Douanehuisjes opengebroken en geplunderd, al was deze actie niet zoals in het Noorden een spontaan resultaat van alle gebeurtenissen. Via zijn gezant Georg Gordon, graaf van Aberdeen financierde Viscount Castlereagh met ruime hand de opstandige Nederlanders. Onder aanvoering van scheepskapitein Job May werden de branden goed voorbereid: materiaal om de deuren te forceren, lantaarns om het werk bij te lichten, pek en terpentine en brandende flambouwen om de rooie haan te laten kraaien. Om 6 uur die avond brandde het douanehuisje op de Nieuwe Brug als eerste in een lange reeks van vreugdevuren. De buitgemaakte gelden werden 'voor de erfprins' in bewaring genomen en de Amsterdammers staken de restanten van de huisjes in de 'hens'. Het volk roerde zich. De Nederlandse gendarmen en douanecommiezen werden behandeld als collaborateurs en beleefden hun treurige 'bijltjesdag'. Ook de vrouwen die voor Franse soldaten gevallen waren of zich met Franse soldaten hadden opgehouden, werden genadeloos behandeld op een manier die bij onwillekeurig welke oorlog een smerige traditie lijkt te zijn.

De dijken door?
Keizer Napoleon was echter niet van plan zijn verlies zonder slag of stoot te accepteren. Op dinsdag 16 november 1813 liet hij aan Schimmelpenninck weten dat hij desnoods de dijken door zou laten steken: 'Laat Holland verstandig zijn, anders zal ik het aan de oceaan teruggeven.' Als hij het nodig zou achten, zou hij boven Gorinchem de Waaldijk laten doorsteken om zo zijn troepen terug te kunnen trekken bij Schoonhoven, Naarden en Gorinchem. Om in de opvolgende roerige dagen zoveel mogelijk de orde te handhaven trok een groep van 17 'aanzienlijke ingezetenen' onder leiding van de Amsterdamse advocaat-fiscaal Jo(h)an Cornelis van der Hoop tijdelijk het landsbestuur naar zich toe. Joan - een voormalig V.O.C.-advocaat - kwam van goeden huize, hij was o.a. verwant aan de invloedrijke bankiersfamilie Hope & Co., dat voor de V.O.C. o.a. bankzaken regelde en zou samengaan met de Londens bankiersfirma Baring. De bemoeienis en invloed van Joan was van korte duur. Eén dag later, op woensdag 17 november 1813 trok Graaf Leopold van Limburg Stirum namens de prins van Oranje de post van gouverneur van Den Haag naar zich toe en zou Van Hogendorp zich - zoals gepland - tot 'het Volk' richten, maar dát zou nog niet zo gemakkelijk gaan als gedacht. Een aantal leden van de Nationale Garde belegerden zijn huis aan de Kneuterdijk en belemmerden hem zijn huis te verlaten. Van Hogendorp had al eerder aan een 50-tal 'oud-regenten' van het land - de voormalige bestuurders van 1795 - uitnodigingen verzonden om de neuzen één kant op te krijgen en een overgangsregering voor te bereiden.

Oude tijden komen weerom
De volgende dag, op donderdag 18 november 1813, lukte het Van Hogendorp uiteindelijk wél om zijn huis te verlaten en begeleid door trommels en trompetten werd zijn boodschap in heel de stad aangeplakt, een boodschap die overigens meer het karakter had van een verzameling 'strijdkreten' dan een vloeiend geschreven en vlot leesbaar epistel.

Oranje Boven!
Holland is vrij
De bondgenoten trekken op Utrecht
De Engelsen worden geroepen
De Fransen vluchten aan alle kanten
De zee is open
De koophandel herleeft
De partijschap heeft opgehouden
Al het geledene is vergeten
En vergeven
Alle aanzienlijken komen in de regering
De regering roept de prins uit als Hoogste Overheid
Elk dankt God
Oude tijden komen weerom
Oranje Boven!

De Pinkeniers
Die eerste bijeenkomst van donderdag 18 november 1813 wilde niet zo vlotten. De aanwezigen, voornamelijk uit voormalige regenten bestaande en Oranjegezinde 'Hoge Heren', waren het roerend oneens met elkaar. Ze kwamen er niet uit. Elk streed voor de eigen belangen en beslissingen nemen in het belang van de burgers was er tóen ook al niet bij. Daarnaast was op dat moment ook lang niet zeker of de Fransen definitief verslagen zouden worden, militair gezien waren zij nog lang niet uitgespeeld. Het gevolg hiervan was dat een nieuwe vergadering uitgeschreven moest worden, ditmaal waren ook de republikeinsgezinden van de partij. Op zaterdag 20 november 1813 zaten deze 'Heren' met elkaar om de tafel, maar ook deze keer was het kibbelen en kijven dat het een lieve lust was. In gezamenlijkheid leek niets besloten te kunnen worden. Ondertussen begon het druk te worden op de Scheveningse stranden. Verscheidene oud-regenten hielden het voor gezien en lieten zich door hun angst leiden. Ze scheepten zich in op de Scheveninger 'Pinken' (vissersschepen), zogezegd om 'in Engeland hulp te gaan halen' of 'de Prins te gaan zoeken'. Spottend werden deze fiere vaderlanders ook wel 'Pinkeniers' genoemd. Voor de Drie Graven begon de tijd echter te dringen, er moest actie ondernomen worden en helderheid worden geschapen. Op zondag 21 november 1813 wierpen Adam Frans Baron Van der Duyn van Maasdam en Gijsbert Karel van Hogendorp zich namens hun kandidaat - de 'erfprins' - op als het 'Algemeen Bestuur van de Verenigde Nederlanden' en richtten ze zich tot alle Nederlanders in een proclamatie:

"Nederlanders! Het ogenblik is geboren, waarop wij ons Nationaal bestaan hernemen; de zegepraal der Bondgenoten heeft de hoogmoed van onze [Franse] onderdrukker vernederd, heeft zijn reuzenmacht vergruist".


Het fort Lasalle, nu Erfprins, in 1814. Deze tekening is een geschenk aan de gemeente door Mr. A.W.M.C. Ver Huell.

 

Hogendorp als 'Tussenpaus'
Tot aan het moment dat de erfprins daadwerkelijk aan land zou stappen zou Gijsbert Karel van Hogendorp de macht naar zich toetrekken. Tien dagen lang was hij de ongekroonde koning van Nederland, de 'tussenpaus' die het ontstane machtsvacuüm opvulde. Een onstabiele overgangsperiode waarin het nog lang geen uitgemaakte zaak was hoe de vlag er uiteindelijk bij zou gaan hangen. Dat bleek wel op dinsdag 23 november 1813 toen een paar honderd gewapende Haagse schutters onder leiding van Kolonel van Oldenbarneveldt - ook wel de Witte Tullingh genoemd - de kleine Franse bezettingstroepen van de vesting Woerden gevangen namen en de vesting in bezit namen. De vreugde was van korte duur. Diezelfde avond nog zond generaal Molitor uit Utrecht een legereenheid van 1.600 soldaten om de verloren vesting te heroveren, wat dan ook zondermeer lukte. In de vroege ochtend van woensdag 24 november 1813 vielen ze de vesting aan. Moordend, verkrachtend, rovend en plunderend trokken ze door het stadje. Van de inwoners werden er 25 vermoord, raakten er 50 gewond en de buit van de plundering werd op vijf zwaar beladen wagens meegevoerd naar Utrecht. Maar de opmars van de 'Verbonden Mogendheden' was niet meer te stuiten en nog diezelfde dag trok een voorhoede van 300 Kozakken onder leiding van majoor Marklay Amsterdam binnen. Op zondag 28 november 1813 keerden de Franse troepen Utrecht de rug toe, terwijl generaal Kraijenhoff zich met een eenheid Amsterdamse schutters haastte om de opengevallen plaatsen in te nemen en zo de Kozakken vóór te zijn.

Zoektocht naar een Prins
Ondertussen ging achter de schermen de zoektocht naar de 'erfprins' in alle hevigheid door. Niemand wist precies waar hij zich bevond. Kapitein Wauthier was naar Duitsland gezonden om hem op te sporen en Jacob Fagel en Hendrik De Perponcher staken het Kanaal over naar Engeland. Terwijl de Orangisten naarstig op zoek waren, stuurde de afgezette Nederlandse ex-koning Lodewijk Napoleon op 25 november 1813 zijn secretaris naar de voorlopige Nederlandse regering. Op aandringen van de betreffende machtsélites stelde hij hen voor om hem de macht weer in handen te geven. Lodewijk kon op veel sympathie onder de Nederlandse bevolking rekenen en voor enkele van de 'Verbonden Mogendheden' leek hij een passende kandidaat te zijn. Een scenario dat echter totaal niet paste in de plannen van het 'Graven-trio' en de 'Heren in Engeland'. Daar zat men op het 'vinkentouw' en wilde men voorkomen dat 'een andere vreemde macht' de kans zou krijgen de bevrijding voor haarzelf op te eisen 'this kingdom will have the satisfaction of re-establishing that nation again to her former situation, wich otherwise might most likely be done by another foreign Power'. Zonder pardon werd Lodewijk Napoleon buiten de deur en alle besprekingen gehouden, zodat hij geen voet aan de grond kreeg. Intussen werd onder hoogspanning verder gezocht naar de mysterieuze 'Pruisische Prins'. Op vrijdag 19 november 1813 kwam het Nederlandse zoekteam na een zeereis van twee dagen in Engeland aan. De erfprins bleek in Londen al in de startblokken te staan maar voordat er spijkers met koppen geslagen konden worden moest eerst overeenstemming bestaan over zijn uitverkorenheid. Tsaar Alexander had met aartshertog Karel - de broer van de Oostenrijkse keizer - nog een heet ijzer in het vuur. Gekoppeld aan groothertogin Catharina zou Karel in Russische ogen geen gek figuur slaan op de 'Buffertroon'. Pas nadat alle bijzonderheden doorgesproken waren en nadat tussen Engeland en de andere 'verzamelde machten' de definitieve keus bepaald was, verliet de erfprins een week later - op vrijdag 26 november 1813 - aan boord van het linieschip "The Warrior" de Engelse bodem. Enkele schepen volgepakt met soldaten en munitie begeleidden de 'erfprins' en de nieuw benoemde Engelse gezant Lord Clancarty naar de stormachtige Nederlandse kust. Pas na een omzwerving van 4 dagen zou de erfprins op dinsdag 30 november 1813 in Scheveningen officieel voet aan wal zetten.

Schermutselingen
Op diezelfde 30 november 1813 zou zware slag worden geleverd om de stad Arnhem. Een leger van 19.000 Pruisische soldaten trok op naar de door 3.500 Franse soldaten bezette stad. De overmachtige Pruisische strijdmacht maakte korte metten met de bezetters. Slechts 500 van hen overleefden de aanval, de overige 3.000 werden gedood, raakten gewond en een onbekend aantal sloegen op de vlucht. Een krappe week eerder was door een wakkere Orangist - Elias van der Hoeven - een voorhoede van de Kozakken Amsterdam binnengeloodst. Deze ruige vechtersbazen passeerden op 24 november 1813 al de stadspoorten, waren berucht om hun 'losse moraal' en hun aanwezigheid hielp in belangrijke mate mee om de Amsterdammers 'mak' te krijgen. Door de één gevreesd en door de ander bejubeld beschouwden de burgers deze 'rovers die strijders waren' als een onontkoombaar gegeven dat ze niet anders konden dan lijdzaam dulden.

Spontaan onthaal
Officieel was tegenwind de verklaring voor de extreem langdurige overtocht van de prins, maar naar alle waarschijnlijkheid was de onduidelijkheid over zijn toekomstige 'functie' én de onzekere militaire situatie in Nederland verantwoordelijk voor het definitief en officieel tijdstip van ontscheping van de 'erfprins'. Jakob Fagel, die de terugreis naar Nederland op een ander fregat dan de 'erfprins' meemaakte was alvast vooruit gevaren om de kust te verkennen. Op zondag 28 november 1813 waren al 270 Engelse mariniers in Scheveningen aan land gezet die op maandag 29 november 1813 gevolgd werden door meer Engelse legereenheden die vooruit gezonden werden om belangrijke en strategische posities in te nemen. Behalve in Scheveningen en Den Haag moest ook Amsterdam voor Oranje zekergesteld worden. Op die dinsdag de 30e november 1813 brak dan eindelijk het moment aan. Onder begeleiding van het kanongebulder van de voor anker liggende Engelse troepentransportschepen werd - onder perfecte regie - de 'erfprins' aan de Nederlandse kust binnengehaald. Een door een drietal paarden getrokken schoongepoetste boerenkar reed tot aan de sloep van de prins in het water en maakte het hem mogelijk om met droge voeten 'zijn' land binnen te rollen. In hun enthousiasme wilden enkele kroniekschrijvers het nog mooier voor het nageslacht bewaren dan het al was en haalden deze het 'oude spontane Nederlandse gebruik' weer uit het vet door te melden dat prins & boerenkar 'weer door de schuimende branding voorwaarts reed, geduwd en getrokken door een grote menigte vissers die tot hun middel in het ijskoude water stonden'. Hoe dan ook, de aanlandingsplaats was sowieso al omgeven met een zweem van heilige geheimzinnigheid. Volgens overlevering was de landingsplaats nagenoeg gelijk aan de plek waar de Oranjefamilie Nederland in 1795 hals over kop verliet, en was zo 'de cirkel weer rond'.

(Een stuk zandstrand dat overigens iets 'mystieks' scheen te hebben. Zo was op 2 juni 1660 volgens overlevering ook Karel II van datzelfde strand en diezelfde plaats naar Engeland vertrokken).

Voerman Dick van Duyne leidde het voertuig door de straten die zwart zagen van de mensen. Zijn komst was al grondig voorbereid. De boerenkar hield halt voor de pastorie van dominee Faassen in de Keizerstraat waar het gezelschap uitstapte en wachtte op 'passender vervoer'. Het inhalen van een koning boven op een 'mestkar' was niet bepaald koninklijk. De reis werd vervolgd naar het huis van Graaf Leopold van Limburg Stirum aan de Kneuterdijk en hij liet zich - goed bewaakt door de meegereisde Engelse mariniers - op het bordes door een enthousiaste menigte toejuichen, zijn toekomstige onderdanen. Het gros van de onderdanen wist niets van de prins en koesterde sentimenten als: 'het was - net als vroeger - een Oranje, dus zou het wel goed zijn.'

Erfprins Willem aan de macht
Gijsbert Karel van Hogendorp, de Nederlandse 'tussenpaus', was er niet bij. Hij liet weten dat hij door een jichtaanval onmogelijk op zijn benen kon blijven staan en hij was dus niet in staat om te komen. Of dat wel helemaal volgens de waarheid was of slechts een goedkoop excuus, was iets wat door de bevolking hardop betwijfeld werd. Men verdacht Hogendorp ervan dit excuus wel vaker te gebruiken om degene die hem wilde spreken te verplichten hém op te komen zoeken. Van Hogendorp zou het als een gepast eerbetoon aan hemzelf hebben gevonden dat de 'erfprins' naar hém toekomen moest om hem te spreken, iets waar de 'erfprins' zeker ook duidelijk rekening mee hield. Om dit mogelijke scenario te saboteren bracht hij daarom zijn éérste bezoek aan de loyale Graaf Leopold van Limburg Stirum die aan de Kneuterdijk woonde. Pas nádat hij hier het middagmaal genuttigd had bracht de 'erfprins' een koel bezoekje aan zijn 'stand-in' die eveneens aan dezelfde Kneuterdijk woonde. Toen 'erfprins' en 'tussenpaus' elkaar ontmoetten, was het sfeertje grimmig. Duidelijk was dat de beide mannen aan elkaar gewaagd waren en de spanningen uit de 'Franse Tijd' nog levend in het geheugen aanwezig waren en van een eventuele vruchtbare samenwerking zou geen enkele sprake kunnen zijn. Niks geen warm handengeschud, het zou niets meer worden dan een 'verstandshuwelijk' tussen die twee. In de toegestoken hand van Van Hogendorp stak de 'erfprins' niet zijn hand, maar een blikken koker met inhoud, de eerste proclamatie van de 'erfprins'. In de jaren die zouden volgen zou Van Hogendorp zich tot een steeds grotere tegenstander van prins Willem Frederik ontwikkelen.

Stadhouder of koning
Voorlopig was het overigens 'de prins' die de fakkel overnam en niet 'de koning', zoals veel omstanders hem onderweg al hadden toegeroepen. Het koningschap had niet direct zijn voorkeur, een verbeterd stadhouderschap met meer macht was een functie die hem beter leek te passen. De 'erfprins' wist dat zijn illustere voorvader, Willem III, zo zijn ervaringen had met het (Engelse) koningschap en de beperkingen in de macht die dat met zich meegebracht had. De titulatuur bleef voorlopig schimmig, kwam hij nu als koning of stadhouder het land overnemen? Op donderdag 2 december 1813 deed hij als 'Soeverein Vorst' zijn intocht in de stad Amsterdam, de stad van de grote geldbaronnnen die tot aan de komst van de Kozakkenvoorhoede getreuzeld had om de kant van de Orangisten te kiezen. Met instemming van de puissant rijke Amsterdams/Portugese financier Mendes-de-Lion en toestemming van de andere grote Amsterdamse geldbaronnen lachte de toekomst Willem toe. Op de aangeplakte bekendmakingen werd de Prins door Joan Melchior Kemper en Fannius Scholten niet als Prins Willem VI, maar als Koning Willem naar voren geschoven, een titel die hij voorlopig onder voorbehoud aannam. Van Hogendorp en Van Limburg Stirum waren in ieder geval in hun originele opzet geslaagd. Nog voordat de Fransen uit Nederland verdreven waren en vóórdat de troepen van de 'Verbonden Machten' Nederland goed en wel waren binnengetrokken was er sprake van een wettig Nederlands bestuur en gezag onder een door het trio gewenste 'Soeverein Vorst'. Aan de Nederlandse burgers werd de nieuwe heerser gepresenteerd met een haast goddelijk aureool en werd over 'Hem' gesproken als 'Soeverein Vorst naast God'. Een - nog ongekroonde - koning die overigens bij het overgrote deel van de Nederlanders beslist geen warme vaderlandse of nationalistische gevoelens opriep. Toen hij in december 1813 'het volk' opriep om de wapens op te nemen tegen de Fransen, was het resultaat zo bedroevend dat uit nood naar de zo verfoeide 'Franse methode' van conscriptie, ofwel de 'vrijwillige verplichting' gegrepen moest worden.

Voorwaarts voor de Koning
Net als in andere oorlogvoerende landen werd óók de Nederlandse burger gevraagd zijn knip te trekken en met gulle hand de gewapende hand te hulp te komen. De burgers werden opgeroepen hun gouden en zilveren sieraden te doneren voor de 'Goede Saek' en de oogst was nog behoorlijk te noemen. Er kwam uiteindelijk 12.000 kilo goud op de weegschaal om het oorlogsgereedschap te bekostigen. Oók de Oranjes wierpen een duit in de oorlogskas. Met onderpand van bezittingen waren de financiers niet te beroerd om oorlogskredieten te verstrekken. Mensenslachtingen leverden al eeuwen enorme winsten op en ook nu zou er onveranderd enorm verdiend worden aan menselijk leed.

Het Berlijnse Bankiershuis Aäron en de Amsterdamse bankier Van Olden waren graag bereid om tegen onderpand van de onroerende goederen in Silezië en Posen, de 'Oranjejuwelen' én het in Engelse fondsen belegde kapitaal de Oranjes wat financiële armslag te geven. De Pruisische en Engelse bevrijders stonden niet direct te juichen om hún geldbuidel te trekken en verlangden van de Oranjes financiële ondersteuning bij het bevrijden van 'hun' land. Al met al werd in de eerste vier maanden van 1814 een leger gevormd van 34.000 weerbare mannen in de leeftijd van 17 tot 50 jaar. Maar er was nog een lange weg te gaan. De Pruisen stonden op dat moment nog maar bij Arnhem en Zeeland was nog volledig in de macht van de Fransen. Daarnaast waren de Fransen nog heer en meester in de vestingen Gorkum, Nieuwpoort, Naarden, Den Helder, Den Briel, Hellevoetsluis en het fort Ooltgensplaat. Ook de plaatsen Deventer, Coevorden, Delfzijl, Nijmegen, Bommel, Grave, Venlo, Woudrichem en Den Bosch waren nog stevig in Franse handen. Om het zekere voor het onzekere te nemen liet de Engelse gezant - zoals hem opgedragen was - een oorlogsschip zeilklaar voor anker liggen in het geval de Fransen hun neus opnieuw lieten zien. De kostbare prins zou dan snel en zeker naar Engeland overgebracht kunnen worden. Pas op 1 januari 1814 zou het leger van Blücher de Rijn oversteken om de invasie in Frankrijk te starten. Engelse oorlogschepen en troepen hadden in december 1813 er al voor gezorgd dat Zierikzee, Schouwen, Duiveland, Tholen, Noord-Beveland en een stuk van Zuid-Beveland van de Fransen gezuiverd werd.

De bestorming van Bergen op Zoom
De bestorming van de vesting Bergen op Zoom zou een verhaal op zich gaan worden. In februari 1814 werd Jan Egbertus van Gorkum aangesteld als verbindingsofficier tussen prins Willem, de Soeverein Vorst, en generaal Thomas Graham, aanvoerder van de Engelse troepen in het zuiden. Op verzoek ging Van Gorkum op onderzoek uit en presenteerde na een paar dagen een uitvoerig plan voor de bestorming van de vesting, een plan waar de Soeverein wel oren naar had. Ook Graham had vertrouwen in het plan en er werden voorbereidingen voor de bestorming in gang gezet. Van Gorkum zorgde voor het nodige materiaal, zoals ladders voor de bestorming en voor Nederlandse gidsen. Op 7 maart 1814 werd Luitenant-Kolonel Carmichael-Smyth naar Van Gorkum gezonden om te vragen hoe het er mee stond, waarop Van Gorkum aangaf dat de volgende dag, 8 maart 1814, zeer geschikt zou zijn wat betreft het weer én de waterstand. Graham gaf daarop de bevelen om de 8e tot de aanval over te gaan. De vesting zou door drie verschillende legereenheden worden aangevallen. De eerste colonne d’attaque zou aangevoerd worden door generaal Cook met 1.000 soldaten, de tweede colonne d’attaque door luitenant-colonel Maurice met 1.200 soldaten en de derde colonne d’attaque door majoor-generaal Skeret met 1.100 soldaten.

Eén staat tot drie
Volgens Van Gorkum onderschatten de Engelsen echter de bestorming en was er minimaal het dubbele aantal soldaten nodig om de aanval te laten slagen. Luitenant-Kolonel Carmichael-Smyth liet daarop aan Van Gorkum weten dat deze zich vergiste in de vechtkracht van de Engelse soldaten, die volgens hem gelijk stond aan drie Franse soldaten. Van Gorkum liet zich niet van de wijs brengen en herhaalde zijn protest. Desondanks werd de aanval ingezet die desastreus verliep voor de aanvallers. Nadat op verschillende plekken de wallen bestormd waren en de aanvallers de binnenstad binnenstroomden sloeg de balans om in hun nadeel. De discipline onder de aanvallers werd daardoor behoorlijk gehavend en ontaardde al snel in plundering, drankmisbruik en verkrachtingen. De volgende dag - 9 maart 1814 - wist de Franse bezetting de aanval af te slaan en bijna het voltallige invasieleger uit te schakelen. Bij de mislukte bestorming werden 900 Engelse soldaten gedood en gewond en werden 2.000 van hen gevangen genomen. De verpletterende nederlaag werd een onverwachte en onplezierige verrassing voor de Nederlandse Soeverein. In grote verbazing liet hij met sarcastische ondertoon weten dat 'de bestorming van Bergen op Zoom uniek was in de moderne krijgsgeschiedenis'. Meester-zeilmaker Gerrit Visser, burger van de stad, zou desondanks later voor zijn aandeel in de aanval worden beloond. Hij had zijn diensten aangeboden en de aanvallers de doorwaadbare plaats aangewezen waarlangs de troepen het best de verdedigingswallen konden bestormen. Op 6 juni 1814 zou hij een certificaat ontvangen - ondertekend door Luitenant-Kolonel Carmichael-Smyth - waarvan hij in 'voorkomende gelegenheden' gepast gebruik zou kunnen maken.

Nadat Den Bosch óók 'voor Oranje' gevallen was, was vorst Willem de beroerdste niet om de stad met zijn bezoek te vereren. Den Bosch sloofde zich bijzonder uit. Nadat de stadsvaderen plechtig en eerbiedig de sleutels van de stad hadden overhandigd, werd Willem I geëscorteerd door een opgedofte erewacht te paard. En ook toen bleek het wonderlijke 'Óud-Nederlandse gebruik' zich te manifesteren: 'Het volk was zo enhousiast, dat het spontaan de paarden van de koets uitspande en zelf tussen de disselbomen ging draven.'

Bufferstaat aan de Noordzee
Pas in september 1814 was in de chaotisch feestende Weense meute wat orde gebracht en kon op 8 september 1814 officieel het 'Weense Congres' - ook wel de Europese Vredesconferentie genoemd - van start gaan. Het zou zich negen maanden lang uitstrekken tot 9 juni 1815 en een verdrag baren dat in de toekomst geassocieerd zou worden met 'onrechtvaardigheid, incompetentie en vooral met schandelijke praktijken en intriges'. Meer dan een eeuw later - 28 januari 1919 - zou de Amerikaanse president Woodrow Wilson de hoop uitspreken dat de 'Vredesconferentie van Parijs' niet 'de geur van Wenen zou krijgen'. Het zou ijdele hoop zijn, het 'Verdrag van Versailles' zou zo mogelijk nog onrechtvaardiger en incompetenter zijn als het 'Verdrag van Wenen'. Het zou een van de belangrijkste - zo niet dé belangrijkste - oorzaken zijn voor het voeren van de meest vernietigende oorlog die de wereld in de 20e eeuw zou meemaken!

Door de overwinnende 'Verbonden Machten' die samen het 'Comité van Vier' vormden - Engeland (Viscount Robert Stewart Castlereagh, de Engelse minister van Buitenlandse Zaken, later vervangen door de Hertog van Wellington), Rusland (Tsaar Alexander I), Pruisen (Koning Friedrich Wilhelm III) en Oostenrijk (vorst von Metternich) - werden op 15 februari 1815 beslissingen genomen die zouden leiden tot de oprichting van de 'Bufferstaat van de Verenigde Nederlanden'. De vorming van een 'Groot Nederlandse Rijk' was volledig in de geest van de Engelse staatsman Pitt en daarmee zou - naast de zichtbare Engelse grenzen - de onzichtbare continentale grens op het vasteland worden 'afgepaald'. Ook Castlereagh had in juli 1813 al zijn voorkeur uitgesproken voor een 'Vergroot Holland' dat de Franse macht moest inperken door de vorming van een bufferstaat die mogelijke conflicten tussen Frankrijk en Pruisen op voorhand moest dimmen. Hij achtte een bufferstaat nodig tussen 'Frankrijk en de Nederrijn, aansluitend aan de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, tussen Maas, Moezel en Rijn en de stad Keulen'. Ze werden het onder elkaar eens dat Nederland een koninkrijk zou worden dat zou gaan bestaan uit de oude republiek, samen met de voormalige Zuidelijke Nederlanden en het bisdom Luik.

De Zuidelijke Nederlanden waren in de loop der geschiedens al in diverse andere handen overgegaan. Zo was het gebied voordat het onder Frans bestuur viel onder meer in Spaans en Oostenrijks beheer geweest. Telkens werd er óm en in deze Zuidelijke Nederlanden gevochten en kreeg het daarom de bijnaam 'Het Slagveld der Naties'. Dat de bevolking van de Zuidelijke Nederlanden er de voorkeur aan gaf om als een zelfstandige staat verder door het leven te gaan, of anders opnieuw weer onder Oostenrijks bestuur te vallen, daaraan werd volledig voorbij gegaan. Dat was niet in het 'Hogere Belang' en ze werd behandeld als een veroverde landstreek. Heel wat bloed was al in die bodem vergoten en er zou nog veel meer bloed vergoten worden in de catastrofe die het 100 jaar later, in 1914 zou treffen.

Moresnet
'Erfprins' Willem Frederik, de Soeverein Vorst werd als koning Willem I door alle leden van het 'Comité van Vier' erkend. Voor koning Willem waren de toegewezen gebieden stuk voor stuk welkome geschenken, per saldo bracht elke extra inwoner óók weer meer belasting in het laatje. Hoe meer inwoners, hoe meer 'economische winbare eenheden'. Als extra toegift werden - buiten het Weense Congres om - de zinkmijnen van het in de Zuidelijke Nederlanden liggende Moresnet voor de helft privé-eigendom van koning Willem I en kwamen deze voor een deel onder Nederlands bestuur en dat was niet zonder speciale reden. In de 'Vieille Montagne' mijn in Kelmis, een dorpje in Moresnet werd behalve zink ook 'pekblende' gedolven, uraniumerts. Al in 1789 schreef de Berlijnse apotheker en latere hoogleraar scheikunde Martin Klaproth de ontdekking ervan op zijn naam. In eerste instantie leek de toepassing ervan beperkt tot het lichtgevend maken van wijzers op uurwerken en het kleuren van glas en porselein. Later werd aan 'pekblende' een genezende werking toegeschreven voor de 'maanziekte'. Men ging in die tijd van de gedachte uit dat de stand van de maan verantwoordelijk was voor aanvallen van epilepsie, psychosen en slaapwandelen, de patiënten waren 'aangeraakt' (getikt) door de maan (In het Engels nog steeds omschreven als 'Lunatic').

 

 


Uit: 'Van Oranje Stadhouders tot IJzeren Kanselier' - door Fré Morel, 2007, Uitgeverij Papieren Tijger.





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander