Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Argumenten voor de republiek, deel 7
Bob E1bracht

'Ze zijn zo lekker gewoon gebleven'

Zou de keizer ook op de plee gaan? Deze vraag hield mij zeer bezig, en vroeg het mijn moeder.
- Jij komt nog eens in de gevangenis, antwoordde zij.
Nou ja, dan zal hij wel niet op de plee gaan.
(Ernst Toller, Eine Jugend in Deutschland - 1933)

Aan de spreekwoordelijke borreltafel hoor je wel eens redenen waarom Nederland een monarchie zou moeten zijn en blijven, maar waarbij intuïtief je het gevoel bekruipt dat je in de maling wordt genomen. Soms is dat inderdaad ook zo: voor de NOS vertelde de interviewster mij eens vooraf dat zij vond dat wij een koning zou moeten hebben 'omdat een koning troost geeft', in de hoop om mij op de kast te jagen. En bij de KRO kreeg ik 'Ja maar, ze zijn zo heerlijk gewoon gebleven!' te horen, waarop de interviewer mij vervolgens met een brede grijns de microfoon voorhield, in de duidelijke verwachting dat ik voor de camera uit mijn vel zou springen.

In het eerste deel van deze artikelenserie kwamen wij overeen dat beide gesprekspartners menen wat zij zeggen, en zeggen wat zij bedoelen. Wie serieus meent dat Nederland een monarchie zou moeten zijn omdat de familie 'zo lekker gewoon gebleven is' verdient het alleen al daarom om serieus genomen te worden; alhoewel het argument zich - wat mij betreft althans - op het randje bevindt. De keuze voor een bepaalde regeringsvorm laten afhangen van de mate van gewoonheid bij de bestuurders aan de top is op zijn minst curieus te noemen. Zou gewoonheid namelijk werkelijk het criterium zijn, dan zou dat impliceren dat een ieder die maar gewoon genoeg is - wat dat dan ook moge zijn - in aanmerking zou moeten komen voor het hoogste bestuurlijke ambt van ons land: zo'n beetje iedereen dus. En dat is als argument voor de monarchie inderdaad wat moeilijk serieus te nemen. Hoewel de republikein vermoedelijk reflexmatig zal neigen hierover zijn schouders op te halen, is er toch meer mee aan de hand en daarom het bespreken waard in deze serie.

Verborgen premisse
In diepere zin verwoordt 'ze zijn zo lekker gewoon gebleven' namelijk een argument van een interessante morele categorie, en omvat het ter ondersteuning bovendien een verborgen premissie. Om het argument te kunnen bespreken is het van belang die premissie te expliciteren, zodat we precies weten wat er nu precies beweerd wordt. Logisch is het een premisse, argumentatief is het een aanname, een zogeheten presuppositie. Zo'n voor-aanname wordt vaak weggelaten bij argumenten, meestal omdat er vanuit wordt gegaan dat de gesprekspartner het daar toch wel mee eens is. Zeg ik bijvoorbeeld: 'Meeuwen kunnen vliegen', dan gaat daarachter mijn aanname schuil dat u weet dat een meeuw een vogel is, en dat vogels kunnen vliegen. Echter bij een nauwkeurige discussie kan het toch zinvol zijn, die verborgen aanname wat nader te beschouwen. Immers, zou in het verloop van de discussie een pinguïn of struisvogel ter sprake komen, dan zitten we met een ondeugdelijke presuppositie die logisch doorwerkt in alle redeneringen, met een onoverzichtelijke argumentatieve troep als gevolg, die gierend uit de kan hand lopen. Maar het kan ook gebeuren dat er opzettelijk verborgen premissen in argumenten worden gebruikt om een valletje te zetten, waardoor de niet-oplettende opponent ongemerkt akkoord gaat met een aanname die de discussie binnengesmokkeld wordt. Later zal die verborgen aanname dan als een duveltje uit een doosje tevoorschijn worden gehaald om de gesprekspartner vervolgens op een tegenspraak te kunnen betrappen.

Gelukkig is dat bij dit argument niet het geval, maar toch is het nodig de presuppositie onder het argument vandaan te peuteren. Precies daar moeten we namelijk mee aan de slag. De voor-aanname staat namelijk in contrast met hetgeen hardop gezegd wordt: 'ze zijn zo lekker gewoon gebleven' ondanks hun ongewone manier van leven en ondanks hun ongewone positie. Het complete argument luidt dus: '[Ondanks dat deze familie zo ongewoon geprivilegieerd is,] zijn ze [toch] zo lekker gewoon gebleven'. Tussen haakjes staat wat wordt weggelaten, en waarvan wordt aangenomen dat wij het daarmee eens zijn. Welnu, dat zijn wij ook, dus dat komt mooi uit. Alleen zullen wij die presuppositie dermate gaan verzwaren in de discussie, dat het contrasterende deel 'ze zijn zo lekker gewoon gebleven' onmogelijk zal blijken. Voor de volledigheid: na het complete argument, dus inclusief de verborgen voor-aanname volgt een conclusie die samenhangt met de wenselijkheid van een monarchaal bestel. In dit geval is dat de bewering dat deze familie, omdat zij 'zo lekker gewoon zijn gebleven' en ondanks het feit dat zij zo abnormaal geprivilegieerd zijn, zij dus geschikt zijn voor het hoogste bestuurlijke ambt van dit land. In de meest complete vorm bestaat het argument dus uit twee contrasterende premissen P1 en P2 en een conclusie C, waarbij één premisse verborgen is en de conclusie onuitgesproken.

 ¶

De strategie
Omdat het argument een mening is en geen feitelijke bewering, is het niet te weerleggen. Evenmin is er sprake van een logische fout, dus een strikt logische weerlegging - die we, bij wijze van spreken, algebraïsch zouden kunnen uitdrukken - is ook niet aan de orde. We zullen het geheel en al moeten hebben van onze retorische kwaliteiten en daarbij zwaar leunen op feitenkennis. Zoals ik hiervoor aangaf, zullen wij de verborgen voor-aanname dermate gaan verzwaren, dat het aanvankelijke contrast tussen P1 en P2 om zal slaan naar contraire premissen. Hebben we dat eenmaal bereikt, dan wordt de conclusie automatisch ook onwaar en hebben we de discussie gewonnen. Onze opgave bestaat er dus in om te gaan hameren op datgene wat onze opponent ons als het ware cadeau heeft gedaan - en waar we het beiden over eens zijn - om het dan vervolgens uiterst onwaarschijnlijk, ja zelfs onmogelijk te maken dat 'ze zo lekker gewoon zijn gebleven'.

 ¶

Rariteitenkabinet, de wereld als speeltuin
Toen ik aan het afstuderen was, of ergens rond die tijd, begon Willem-Alexander net met zijn studie(?) en woonde bij mij om de hoek. Ik woonde in de Molensteeg, dan was het over het bruggetje, de Bakkersteeg door en rechts om de hoek op het Rapenburg; daar woonde de Prins der Nederlanden. Hij was een paar jaar jonger dan ik, maar bewoog zich - uit de aard der zaak - bovendien in geheel andere kringen. Als straatarme filosoof verdiende ik wat bij met het geven van bijlessen wiskunde en had niets te zoeken bij Minerva, de studentenvereniging voor rijkeluistudenten of diegenen die trachtten daartoe te behoren. Toch zag ik Willem-Alexander geregeld in café 'Het Keizertje' een eindje verderop langs de gracht, waar wij iedere dinsdagavond disputeerden met theologiestudenten. Dan was Willem-Alexander daar soms met wat vrienden aan het biljarten, geflankeerd door twee lijfwachten. Een enkele keer zag ik hem daar ook met zijn moeder eten, uiteraard ook omringd door een hele batterij beveiligers. Ofschoon ik mij toen nog niet interesseerde voor de monarchie, maar mij bezighield met andere zaken die ik ook al niet snapte, herinner ik mij nog wel mijn verwondering over de geheel andere wereld waar deze jongeman uit leek te komen.

Ik kende wel wat mensen van Minerva, die - zolang ze tenminste alleen waren - vaak nog best wel te pruimen waren. Dat waren rare contacten: soms zat ik voor het station gitaar te spelen tot ik geld genoeg had voor een treinkaartje naar mijn ouders, en dan wierp één van die jongens goedmoedig een knaak in mijn gitaarkoffer. En als ik pech had, dan was het schamper lachend een kwartje. Maar af en toe ving ik wel eens wat op over het gedrag van de prins. Meestal beschreven die verhalen stereotypisch corpsballerig gedrag, zoals het achtervolgen en insluiten van lagere school kinderen in een schuur, en dan bonsde de prins roepend op de deur: 'In naam van Oranje, doe op de poort!' Maar sommige anekdotes toonden op vaak schrijnende wijze, dat deze jongeman wérkelijk uit een andere wereld kwam en volkomen losgezongen was van de werkelijkheid. Enkele van die verhalen las ik later bevestigd in het boekje 'Vertel dit toch aan niemand' van Daniëla Hooghiemstra en Dorien Hermans.

Zo ondekte de prins bijvoorbeeld dat wie op zijn studentenvereniging heel hard 'Een rondje voor de hele zaak!' riep, dan joelend als een held gevierd werd. Dat deed de prins dan ook ook geregeld. Nu was alleen het merkwaardige, dat hij zich totaal niet realiseerde dat hij dat rondje dan ook moest betalen. Kortom, hij gaf wel rondjes, maar betaalde die gewoon niet,- en niemand die er wat van durfde te zeggen. Dat was niet eens zozeer uit kwade wil, maar hij wist dat gewoon écht niet. Meestal betaalden anderen die rondjes dus maar voor hem, en soms liet men het er maar bij zitten. Eens raakte hij op de vuist met een mede-Minervalid om een meisje, waarop zijn opponent prompt twee lijfwachten op zijn nek had. Heel gewoon. En wanneer de prins met een groepje studenten na sluitingstijd, diep in de nacht bij een hotel aankwam om nog wat te nuttigen, dan gingen vanzelfsprekend alle lichten aan, werden koks uit hun bed gebeld en werd de hele zaak in stelling gebracht. Centraal bij deze kleine anekdotes staat het 'gewone', het 'normale' en het 'vanzelfsprekende', dat voor deze merkwaardige student de grondtoon van zijn bestaan was.

Dispensatie voor tentamens wegens staatsrechtelijke verplichtingen, een doctoraal in het vak waar hij de meeste colleges in had gevolgd - voor ieder ander allemaal onvoorstelbare rariteiten, waren voor de prins de gewoonste zaak van de wereld. Zijn wereld. Maar hij werd ook achterdochtig: immers, iedereen probeerde bij hem in het gevlei te komen, en zeker in die Minerva-kringen waarin hij verkeerde. Willem-Alexander was per definitie altijd in de kiezende positie, hij koos zijn vrienden en nooit omgekeerd. Dit is altijd zo geweest, reeds vanaf zijn prilste jeugd. Na schooltijd met een vriendje spelen ging alleen als dat vriendje vooraf door veiligheidsdiensten zorgvuldig was gescreend. Als exclusief leverancier van status kon en kan hij nooit weten of iemand op hem als persoon gesteld was. Diepere affectieve reacties werden altijd overschaduwd en verontreinigd door vertroebelende elementen van eigenbelang en verborgen agenda's. De meest elementaire menselijke contacten liepen onvermijdelijk en onherroepelijk vast in de paradox van zijn bijzondere positie en status. De prins koos, en de prins eiste - dat waren de basisvoorwaarden. En dwars door het pathologische wantrouwen moest er dan vervolgens nog ruimte worden gevonden voor vriendschap en affectie in uiterste discretie. U begrijpt: dat lukt geen zinnig mens.

Wie nog nooit in de regen met een strippenkaart op de laatste bus heeft hoeven wachten, wie van jongs af aan heeft geleerd uitverkoren te zijn en daarom boven zijn medemens staat, en dat iemand anders verantwoordelijk is voor zijn doen en laten, verwordt tot een heel vreemde persoonlijkheid. En dat markeert ook de totale verkniptheid van deze mensen, want in wezen kun je ze het niet eens kwalijk nemen. Als je altijd gelijk krijgt - zelfs als je het niet hebt - en altijd en overal door iedereen naar de mond gepraat en stelselmatig van de alledaagse wereld afgeschermd wordt, dan kan men daar redelijkerwijs niet van verwachten dat daar een gezond en weldenkend mens uit voortkomt. Waar je ook verschijnt: iedereen buigt meteen als een knipmes, niemand spreekt je tegen, sociaal nooit te worden gecorrigeerd, terwijl je belastingvrij kapitale geldbedragen toegeschoven krijgt, gratis in paleizen woont die niet ván jou maar wel exclusief vóór jou zijn en door anderen worden onderhouden - wat kunnen we daarvan verwachten? Inderdaad, hele rare mensen.

Gek zijn ze niet, wel raar. Ze zijn volkomen verknipt en sociaal permanent de weg kwijt, en hebben niet het flauwste benul van hoe de alledaagse wereld in elkaar steekt. Let wel: dit hebben wij1 - wij met z'n allen - van deze mensen gemaakt. Wij zijn degenen die, zodra de prins een uniform aantrekt, onmiddellijk sterretjes op zijn epauletten bevestigen zodat hij meteen generaal is. Wij hebben ons eigen monster van Frankenstein gecreëerd, en huilen krokodillentranen wanneer hij vervolgens de gekste fratsen uithaalt. Zie daar nu maar weer eens vanaf te komen. Eerst hijsen wij hem op het schild - althans, of staan toe dat hij dat laat doen - laten hem doordringen tot in de allerhoogste bestuurlijke regionen zonder dat hij daar verantwoordelijkheid hoeft te dragen, om ons vervolgens te beklagen als hij voor de lol met een vliegtuigje laag over het paleis van zijn moeder scheert, met de dochter van een notoire fascist trouwt en zich in onfrisse vastgoedzaakjes stort. 'Hij' is inmiddels het beeld geworden van al die rare mensen van deze rare familie, die liegen, bedriegen, vervalsen en zichzelf onophoudelijk verrijken, en niet beter weten dan dat de zittende premier daarvoor opdraait.

Arrogantie en grandiositeit zijn de stijlfiguren waarmee ze van jongs af aan zijn grootgebracht om hun meerwaarde psychisch te verankeren. Zonder dit cynisme lukt het geen zinnig mens om je paleis uit te kunnen rijden en daar flatgebouwen te zien, waar de niet-uitverkorenen in schuiflades wonen en leven. Als de kroonprins bijvoorbeeld zegt bij een schandaal rondom een naar corruptie stinkend vastgoedproject de ophef niet te begrijpen, dan begrijpt hij het ook werkelijk niet. Zijn begrip reikt niet verder dan een cognitieve vaststelling dat de klacht een grammaticaal correcte Nederlandse volzin is, maar inhoudelijk doorvoelt hij niet waar de schoen wringt. Bij deze rare mensen wringt namelijk nooit iets. Wringen is alleen maar iets voor anderen. Net zoals betalen, overigens. En schoenen koop je trouwens in Milaan, en daarvoor pak je vanzelfsprekend even het regeringsvliegtuig. Als ze een nachtje willen doorbrengen in het Amsterdamse Paleis op de Dam, dan worden uiteraard de bovenleidingen van de tram verwijderd ter bescherming van de vorstelijke trommelvliezen. Als ze even een middagje willen duiken in de Golf van Mexico, dan ligt er uiteraard een schip voor hen alleen klaar, met vanzelfsprekend een arts aan boord, varen er natuurlijk fregatten omheen en betalen ze uiteraard de rekening niet. En het regeringsvliegtuig wordt uiteraard 'eventjes' van Schiphol naar Rotterdam gevlogen, omdat het met de auto (uiteraard met chauffeur) tien minuten korter rijden is vanuit Den Haag. En als ze dan bij het Kleinpolderplein in een file vastlopen, dan passeren ze die uiteraard over de vluchtstrook. En vanzelfsprekend gaan ze vervolgens met dat vliegtuig naar België(!) op staatsbezoek, ook al is dat een vlucht die nauwelijks het opstijgen waard is.

Niet raar, wél opportunistisch
Voordat ik weer terugkeer naar het verdere verloop van de bespreking van het argument, moet mij trouwens van het hart dat ik niet bereid ben mijn betrekkelijk milde houding ten aanzien van de verknipt-geborenen, ook toe te passen op het aangetrouwde spul. Of de prinsjes van Van Vollenhove het als een vanzelfsprekend privilege beschouwden dat zij met vergunningen, die bedoeld waren voor verloskundigen, gratis hun Porches in de Amsterdamse binnenstad konden parkeren - tot zij ontdekt werden - weet ik niet. Maar ik heb zo mijn twijfels. Maar bij lieden zoals Bernhard en Máxima vermoed ik toch een opportunisme van kwalijker soort. Bernhard - om maar één van de talloze voorbeelden te noemen - die met twaalf vrienden in het chique Hotel des Indes ging lunchen en dan doodleuk wegliep, in de wetenschap dat tóch niemand het lef had hem te vragen wat er met de rekening moest gebeuren, maakte naar mijn gevoel bewust misbruik van zijn positie. En voor Máxima is het niet vanzelfsprekend, dat wanneer zij vanuit de uitrit van Huis ten Bosch tegen een Haagse slager op het Bezuidenhout aanbotst, die uitrit dan als bij toverslag verandert in een gelijkwaardige kruising waardoor zij ineens van rechts gekomen bleek te zijn en dus voorrang had. Voor haar is het volgens mij geen vanzelfsprekendheid dat zij vervolgens op het proces-verbaal dan plotseling 'Laila van den Bosch' heet, met als woonadres het betreffende politiebureau.

Abnormaliteit als geïnstitutionaliseerde leugen
Na deze noodzakelijke opsomming van feiten keren we terug naar het argument als zou de familie 'zo lekker gewoon zijn gebleven'. Iedereen die voornoemde voorbeelden heeft aangehoord, die overigens schier eindeloos zijn uit te breiden, ziet onmiddellijk in dat zij onmogelijk gewoon kunnen zijn. Niets is gewoon, en helemaal niets verloopt normaal. Alles is raar, alles is uitzonderlijk en in veel gevallen is het ze niet eens kwalijk te nemen. Maar dat doet voor het argument minder ter zake. Wij, van de gevende hand, het volk, de regering en het parlement laten deze rare dingen allemaal gebeuren, buigen als bibberende rietjes, terwijl zij, van de nemende hand, daar gebruik en in sommige gevallen bewust misbruik van maken.

Deze familie is nooit 'gewoon gebleven', simpelweg omdat ze dat nooit geweest zijn. Ze waren van het begin af raar en zijn altijd raar gebleven. Toegegeven: soms doen ze gewoon. Maar dat is geveinsd, en precies dat doen-alsof, dat veinzen, is voor deze vreemde mensen juist gewoon. Doen-alsof ze sociaal bewogen zijn, en de kleine Amalia moet vooral gewoon-doen als er tientallen microfoonhengels naar haar overhellen in de hoop wat kleuterlijk gebrabbel van haar op te mogen vangen. Doen 'alsof ze gewoon zijn' is namelijk precies een onderdeel van hun werk. Het is als een soort betaald liegen: 'Ik weet dat jij weet dat ik jou laat liegen, en samen zwijgen we erover'. Wij betalen hen om zich door onze telelenzen op te laten jagen, en schreeuwen moord en brand als wij vervolgens een proces aan onze broek krijgen,- maar zelfs dát is in wezen niets anders dan een volgende attractie in een wereld die één groot pretpark is. Dit 'doen-alsof' fungeert als legitiem gelogen sociale reflex wanneer wij op televisie zien dat Beatrix een taart bakt met verstandelijk gehandicapten of voor bejaarden koffie inschenkt. Wanneer Willem-Alexander een paaltje in de grond slaat terwijl zijn echtgenote een schuur verft, dan lijkt het alsof ze gewoon zijn. Juist die schijnwerkelijkheid, dát is hun gewone werkelijkheid, waarin altijd alle paaltjes al in de grond staan en alle schuren altijd al geverfd zijn. Maar zelfs zulke - voor anderen - gewone dingen doet de familie met cameraploegen en een legertje bewakers om zich heen, om vervolgens met hun limousines onder marechausseebegeleiding langs de files over de vluchtstrook getransporteerd te worden en zich weer in hun paleisreservaten te verschansen. Ze zijn niet gewoon en waren dat ook nooit, eenvoudigweg omdat dat niet kan. Ze zijn daar simpelweg mentaal niet toe in staat, en daarom kan niemand dat redelijkerwijs van ze verwachten. Daar zijn ze 'gewoon' te raar voor, daarvoor is hun wereldbeeld te zeer beschadigd en verknipt, daarvoor is de manier waarop zij in de werkelijkheid staan te verwrongen en moreel te zeer ontworteld.

De presuppositie dat 'de familie een ongewoon leven leidt' is door ons dermate verzwaard, dat de premisse 'ze zijn zo lekker gewoon gebleven' daar diametraal op is komen te staan en daardoor onmogelijk en onhoudbaar blijkt. We hebben voor onze gesprekspartner meer dan voldoende aannemelijk gemaakt dat er van 'gewoon blijven' geen enkele sprake kan zijn. Gewoon worden kunnen ze niet eens, laat staan blijven. Om de discussie gemakkelijker te laten verlopen is het sterk aan te bevelen bovenstaande feitelijke voorbeelden telkens als vraag te formuleren ('Denk je werkelijk dat iemand gewoon kan blijven als...?') en het floret te hanteren, dat verreweg te prefereren is boven het zwaard.

Resteert nog slechts één vraag, en dat is de wenselijkheid van de conclusie: willen wij zulke van god-en-de-wereld losgezongen verknipte rare mensen over ons land laten regeren? Willen wij een regeringshoofd dat een OV-chipkaart bekijkt alsof hij een steentje van de planeet Uranus in zijn hand houdt? Antwoord: neen, dat willen wij niet, en dat moeten wij ook niet willen.

 

 

Volgende aflevering: 'Als Nederland een republiek wordt, dan krijgen we zo'n engerd als Balkenende als president' (of stuur uw verzoek/suggestie naar de redactie)

 

 

 


1 Ter geruststelling van de republikeinse die hards: met 'wij' bedoel ik vanzelfsprekend iedereen, behalve de leden en lezers van Pro Republica





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander