Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  

Belastingvrijstelling
Rechtspraak - 30 maart 2016

troonrede

Bron: Rechtspraak.nl

Den Haag, 18 maart 2016

Belastingplichtigen kunnen zich niet beroepen op de belastingvrijstelling die onder meer geldt voor de Koning. Dat heeft de Hoge Raad op 18 maart 2016 geoordeeld.

In de zaak waarin de Hoge Raad vandaag uitspraak deed maakt een belastingplichtige bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel meent hij recht te hebben op vrijstelling van deze belasting en premies, zoals die geldt voor bepaalde leden van het Koninklijk Huis. Eerder gaven de rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2014:746) en het hof (ECLI:NL:GHSHE:2015:1663) hem hierin ongelijk.

Onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Niessen (ECLI:NL:PHR:2015:2420) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belastingvrijstelling van de Koning verband houdt met de bijzondere aard van de vrijgestelde inkomsten. Zijn functie als Koning maakt dat persoonlijke en zakelijke inkomsten en uitgaven nauwelijks van elkaar kunnen worden onderscheiden. De uitkering die de Koning krijgt op grond van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH) laat zich niet inpassen in het systeem waarop de inkomstenbelasting is gebaseerd.

De uitkering die de Koning krijgt van het Rijk is bedoeld als een netto-uitkering (artikel 40 GW). Zij moet de voor een goede vervulling van het koningschap noodzakelijke dan wel wenselijk geachte uitgaven dekken. De vrijstelling van het betalen van inkomstenbelasting geldt alleen voor die uitkering en de vermogensdelen die direct zijn verbonden met de uitoefening van het koningschap. Privé-inkomen en -vermogen zijn niet vrijgesteld.

Een belastingplichtige heeft er recht op om voor de inkomstenbelasting op gelijke wijze te worden behandeld als de Koning, maar alleen voor zover hij in dezelfde situatie verkeert als de Koning. Aan die voorwaarde voldoet hij niet.

Uitspraak

ECLI:NL:HR:2016:423

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 18-03-2016
Datum publicatie: 18-03-2016
Zaaknummer: 15/02213
Formele relaties: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2420, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1663, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden: Belastingrecht
Bijzondere kenmerken: Cassatie
Inhoudsindicatie: Inkomen uit werk en woning; beroep op gelijkheidsbeginsel / art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR in verband met grondwettelijke vrijstelling leden Koninklijk Huis.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
FutD 2016-0704
V-N 2016/17.3

18 maart 2016
nr. 15/02213

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 mei 2015, nr. 14/00320, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/3854) betreffende de voor het jaar 2011 aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

- Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
- De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
- Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
- Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. De Hoge Raad slaat op dat stuk geen acht.
- De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 18 december 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
- Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.
Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2011) inkomsten uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang genoten. Hij heeft de voor dat jaar aan hem opgelegde aanslag in de IB/PVV in feitelijke instanties bestreden met de stelling dat het gelijkheidsbeginsel en het in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod meebrengen dat ook hem de vrijstelling van heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen moet worden verleend die aan bepaalde leden van het Koninklijk Huis is toegekend.

2.2.
De klachten die belanghebbende in cassatie aanvoert tegen de verwerping van deze stelling door het Hof, en tegen hetgeen daartoe in de bestreden uitspraak is overwogen, falen op de gronden die in de conclusie van de Advocaat-Generaal zijn uiteengezet in de onderdelen 6.10 tot en met 6.14 alsmede de onderdelen 7.1 tot en met 7.12.

2.3.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de conclusie verzocht het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen over de interpretatie van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is betreft de onderhavige zaak niet het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie als bedoeld in artikel 51, lid 1, van het Handvest zodat het Handvest niet van toepassing is en vragen over de interpretatie van het Handvest niet noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geding.

3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.


Artikel 1 van de Grondwet:
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan!

De Grondwet is met zichzelf in tegenspraak; de woorden "in gelijke gevallen" moeten er dus uit aangezien het zinsdeel "Discriminatie op welke grond dan ook" hiermee in tegenspraak is. In feite heft artikel 1 van de Grondwet zichzelf op door deze contradictie!





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander