Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Boekaanbeveling Frits Hoekstra "In dienst van de BVD, Spionage en Contraspionage in Nederland"
Webredactie, 8 juli 2014



iets

Voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis treedt een voormalige leidinggevende medewerker van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD, nu AIVD) met zijn ervaringen naar buiten. Frits Hoekstra vertelt in dit boek vrijuit over de activiteiten van de geheime dienst in de jaren van de Koude Oorlog.

Hoekstra was betrokken bij het volgen van de CPN en haar mantelorganisaties, de Vrienden van de DDR en communistische infiltranten in de PVDA. De BVD had de handen vol aan het bestrijden van het politieke terrorisme van Rode Jeugd en Rode Hulp, die contacten hadden met de Duitse RAF en de Palestijnen. Sommige geplande aanslagen werden dankzij de BVD verijdeld en kwamen tot nu toe niet in het nieuws, zoals een poging van El Fatah om Gasunie-installaties op te blazen. Niet alle terreurdaden konden echter worden tegengehouden: Zuid-Molukkers kaapten treinen; anti-apartheidsactivisten van RaRa pleegden aanslagen. Ook waren buitenlandse geheime agenten actief in Nederland.

Dit boek geeft van binnenuit een openhartig beeld van de werkwijze van de Nederlandse geheime dienst, met uitgebreide aandacht voor de tegenstanders die de BVD bestreed.



Bekijk het interview van "Altijd Wat" van de NCRV met Frits Hoekstra.



Hieronder een opmerkelijk fragment betreffende het koningshuis uit het boek. Blz 177 - 185.

quote open



HOOFDSTUK 6

Het Koninklijk Huis, de BVD en de 'Soltikow-papers'


In de afgelopen jaren (2001-2004) zijn de BVD en vervolgens de AIVD herhaaldelijk in het nieuws gekomen in verband met 'affaires': rond zowel het Koninklijk Huis als de moord op Pim Fortuyn. Prinses Margarita de Bourbon de Parma, een nichtje van koningin Beatrix, en (toen nog) haar man Edwin de Roy van Zuydewijn, evenals Beatrix' schoondochter Mabel Wisse Smit, brachten ieder op geheel eigen wijze behalve het Koninklijk Huis ook de AIVD/BVD in opspraak. De Roy van Zuydewijn beklaagde zich, gesteund door zijn koninklijke echtgenote, over onheuse bejegening en zakelijke tegenwerking door de koninklijke familie, waarbij de uitkomsten van een op verzoek van het kabinet van de koningin ingesteld BVD-onderzoek naar zijn achtergronden een cruciale rol speelden.
Wat Wisse Smit betreft, zou de AIVD ten tijde van haar verloving met de tweede zoon van koningin Beatrix, Friso, onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar haar connecties met de in 1990 vermoorde crimineel Klaas Bruinsma, die later door de journalist Peter R. de Vries aan het licht werden gebracht. Vóór de moord op Fortuyn zou de dienst het risico dat deze omstreden aspirant-politicus liep ten onrechte als te gering voor persoonsbeveiliging hebben getaxeerd.

In al die gevallen kwam de dienst slecht uit de verf. Niet alleen het geheime karakter van de dienst, maar ook de onwil of het onvermogen om door goede public relations bij politici en publiek meer begrip te creëren voor zijn werk, speelde daarbij een rol. Daarom permitteer ik mij als betrokken buitenstaander toch een kort commentaar op die 'affaires'.

In de periode die in dit boek is beschreven was er geen sprake van toetreding van nieuwe leden tot de koninklijke familie, anders dan door geboorte. De veiligheidsonderzoeken naar personeelsleden van de hofhouding vonden plaats door en in een aantal gevallen in samenwerking met de Veiligheidsdienst Koninklijk Huis, aanvankelijk onder leiding van kolonel Spierenburg (een gewezen marechaussee officier), later onder leiding van de ex-korpschef van politie in Voorburg, Laméris. Nu heet die dienst Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) en maakt hij deel uit van het Korps Landelijke Politiediensten. Vóór de grote politiereorganisatie was dit een zelfstandige dienst, ressorterend onder justitie.

Het is verbazend dat er in de Tweede Kamer en sommige nieuwsmedia bij zowel de affaire Mabel Wisse Smit als Margarita en Edwin de Roy van Zuydewijn als rond de moord op Fortuyn zo gemakkelijk over het falen van de BVD/AIVD wordt gerept en steeds de verkeerde vraag wordt gesteld: namelijk waarom de dienst niet over informatie beschikt, terwijl hij daar krachtens zijn wettelijke taak niet over kon beschikken.

Ook bij Kamerleden blijkt het inzicht in taken en bevoegdheden van de dienst opvallend gering te zijn. Het is toch de Tweede Kamer zelf geweest die, terecht, bij het behandelen van de wetgeving op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de grenzen van taken en bevoegdheden van de diensten, ook de BVD, heeft vastgesteld. De laatste wet dateert van 2002! Hoe kan men dan verwachten dat de BVD moest weten of, en zo ja, wanneer Mabel Wisse Smit in haar studentenjaren met Klaas Bruinsma en wie weet met wie nog meer het bed heeft gedeeld? Wij willen in ons land toch niet een soort Stasi, een dienst die zich zonder aanleiding diep in de privé-sfeer van burgers nestelt en overal ogen en oren heeft? De vergaderzaal van de Tweede Kamer zou te klein zijn voor de verontwaardiging over zulke aantasting van de privacy. Ook van justitie mag worden verwacht dat een opsporingsonderzoek zich uitsluitend richt op het ophelderen van betrokkenheid bij strafbare feiten, niet op de erotische escapades of andere persoonlijke intimiteiten van een vervolgde.

Het is opvallend dat niemand heeft gevraagd hoe het mogelijk was dat de AIVD in juni 2003 binnen minder dan een week een 'verklaring van geen bezwaar' over Wisse Smit kon produceren. Beschikte de dienst misschien al over gegevens over deze vrouw, bijvoorbeeld vanwege haar relatie met de Bosnische diplomaat Sacirby? Het ligt, mede gezien de Nederlandse militaire betrokkenheid bij de VN-missies in Bosnië, voor de hand dat de politicologiestudente die tijdens haar stage bij Buitenlandse Zaken een relatie kreeg met Sacirby, de aandacht van de dienst had getrokken.

Ook na de moord op Fortuyn leek de opvatting te heersen dat wij er een alomtegenwoordige staatsveiligheidsdienst op na zouden houden die kon taxeren welke van de vele uitingen van afschuw over de politieke opvattingen van Fortuyn een serieuze dreiging inhielden. Hoe kan men, gegeven de beperkte taakstelling van de dienst, verwachten dat een 'dreigingsanalyse' van de BVD voldoende basis kan bieden om tot wel of niet beveiligen van een persoon te besluiten? De Tweede Kamer zelf zou wijzer moeten wezen.

In de reactie tegenover de commissie- Van den Haak, die de gang van zaken rond de afwezigheid van beveiliging van Fortuyn onderzocht, had de dienst zich beter bewust moeten zijn van de politiek/publicitaire effecten. De onbevangenheid waarmee de commissie is tegemoet getreden getuigt van een zekere naïviteit of in elk geval een gebrek aan gevoel voor de politieke effecten. Nog steeds is publieke verantwoording een zo goed als genegeerd thema bij de AIVD. De ingestelde evaluatiecommissie onder voorzitterschap van de oud-burgemeester van Den Haag en lid van de Algemene Rekenkamer Havemans moet het geschonden imago herstellen.

In de affaire Margarita/De Roy van Zuydewijn is onhandig geopereerd. Door het hoofd van het kabinet van de koningin, Felix Rhodius, maar niet door de BVD/AIVD. Die heeft gewoon gedaan wat gevraagd werd door dat kabinet. Verzoeken van het kabinet van de koningin zijn min of meer sub rosa: niet altijd gedekt door de letter, maar wel door de geest van de wet. En dat de minister daarvan niet op de hoogte was? Een minister kan onmogelijk van alles wat zo'n dienst doet op de hoogte zijn. Akkoord, een iets betere politieke antenne bij de BVD-leiding zou ook hier wel van pas zijn gekomen; dan was die informatie 'naar de politiek' er misschien eerder gekomen. Maar feitelijk valt de dienst niets te verwijten. Het kabinet van de koningin is onzorgvuldig omgesprongen met de verstrekte informatie van de dienst. Carel Hugo de Bourbon de Parma, de voormalig echtgenoot van prinses Irene, had die informatie over de achtergronden van Edwin de Roy van Zuydewijn, afkomstig uit diens dossier bij de Amsterdamse sociale dienst, natuurlijk niet behoren te krijgen. De (in mijn tijd niet aanwezige) bevoegdheid van de BVD om inzage te krijgen in cliëntendossiers van een gemeentelijke sociale dienst is bij deze affaire nauwelijks aan de orde geweest.

Aan de BVD werd door de journalistiek met betrekking tot het Koninklijk Huis, en in het bijzonder rond het beschermen van de reputatie van prins Bernhard, een veel grotere en belangrijkere rol toegedicht dan er in werkelijkheid was - of die activiteiten zijn zo in het diepste verborgene gehouden, dat ik er niet of nauwelijks iets van heb gemerkt. Het feit dat de dienst goed geïnformeerd was over de activiteiten in de jaren zeventig van de journalist Wim Klinkenberg en zijn onthullingen over het verleden van Prins Bernhard, is in feite toeval geweest. Klinkenberg genoot de warme belangstelling van de BVD vanwege een aantal factoren, die niets met ZKH te maken hadden. Klinkenberg was verklaard stalinist. Hij onderhield contacten met Russische diplomaten en vertegenwoordigers van Oost-Europese, vooral Russische persagentschappen die als inlichtingenofficieren te boek stonden. Hij was vice-voorzitter van de journalistenvakbond NVJ en publiceerde verbazend weinig. Zijn voornaamste bron van inkomsten was naar het scheen jarenlang de Amsterdamse Uitkrant, een blaadje met de theaterprogramma's.

Daarom werd door de dienst met argusogen naar de activiteiten van Klinkenberg gekeken. Kennis over zijn onderzoek naar de achtergrond van Bernhard was 'bijvangst'. Ook naar Klinkenbergs activiteiten voor de Nederlandse Operastichting werd enige tijd onderzoek gedaan. Hij had daarin nauw contact met de zangeres Cora Canne Meijer. Cara was getrouwd met een schimmige violist van Zwitsers/Oostenrijkse origine, een zekere Gerhard Patriasz. Deze Patriasz dreef een antiekwinkel in de Weteringdwarsstraat, vlakbij de Spiegelgracht. Nu was bekend dat de Russen in een aantal gevallen gebruik hadden gemaakt van hun aanwezigheid in Wenen in 1945 om 'illegals' te voorzien van een identiteit die uit het Weense bevolkingsregister was ontvreemd. Een antiekwinkel is een erkend goede dekmantel, en Patriasz had niet veel omzet. Overigens heeft al die aandacht voor de activiteit voor de Operastichting van Klinkenberg en Cora Canne Meijer uiteindelijk niets opgeleverd. Wel is vastgesteld dat Klinkenberg tenminste éénmaal een document over defensieaangelegenheden in zijn bezit had dat aan het KGB of het GRU is geleverd.

Soms kwam het voor dat leden van het Koninklijk Huis op de een of andere wijze in het gezichtsveld van de dienst kwamen, bijvoorbeeld in telefoontaps omdat zij zich af en toe rechtstreeks tot diplomatieke vertegenwoordigingen wendden van landen die tijdens de koude oorlog tot het kamp van de tegenstanders werden gerekend. Die informatie werd zo snel mogelijk uit de rapportages verwijderd, om verdere verspreiding binnen de dienst te voorkomen. Eén geval is wel curieus genoeg om hier te vermelden: prins Bernhard liet zijn secretaris op zeker moment, begin jaren tachtig, bellen naar de Cubaanse ambassade om te melden dat de Havanna's, waarvan de prins bij een gelegenheid een kist had gekregen, op waren. Of de ambassadeur maar voor aanvulling wilde zorgen. De Cubanen zaten wat in hun maag met die vraag. Moesten zij nu tot in lengte van jaren de prins van gratis sigaren voorzien? Dat hebben ze uiteindelijk maar niet gedaan.

Een verhaal apart over prins Bernhard zijn de stukken van de hand van Michael Graf Soltikow, die ik de 'Soltikow papers' zal noemen. Onder de titel 'Ein zweiter Raspoetin in holländischen Königschlössern' probeerde de Duitse auteur en ex-Abwehrofficier Soltikow in 1977 een serie artikelen in het geïllustreerde Duitse weekblad Quick gepubliceerd te krijgen. Gelukkig vroeg een redacteur van het blad aan een bevriende Amsterdamse journalist of hij met de Nederlandse autoriteiten door de publicatie misschien grote juridische problemen zou kunnen krijgen. Die journalist was een agent van schrijver dezes. Toen ik de stukken las, schrok ik van de in mijn ogen toen brisante inhoud waar het prins Bernhard, maar vooral zijn familie betrof.

Soltikow schrijft dat de aanleiding voor zijn onthullingen was dat prins Bernhard, door het milde oordeel van regering en parlement in 1976 over de smeergeldaffaire met de Amerikaanse vliegtuigfabriek Lockheed, 'opnieuw' de dans kon ontspringen en de 1,1 miljoen dollar smeergeld in zijn zak kon houden. Prinses Armgard, de moeder van prins Bernhard, zou volgens de artikelenreeks ter bescherming van zichzelf, Bernhards broer Aschwin en haar levensgezel kolonel Pantschulidzeff haar diensten hebben aangeboden aan de Abwehr, de militaire contra- inlichtingendienst van het Duitse leger. Kolonel Pantschulidzeff wordt neergezet als de 'Rasputin in holländischer Königschlössern'. Hij zou de Von Lippe Biesterfelds, inclusief prins Bernhard, als marionetten hebben laten dansen. Daarbij komt ook het in 1939/1940 gedateerde aanbod aan de orde om de prins als 'vereidigter ss-man des Führers' na de Duitse inval als stadhouder van Nederland te installeren.

Hoewel in voorjaar 1977 het toenmalige hoofd kabinet van de BVD, mr. Piet van Doeveren, reageerde met de woorden: 'Had die Hoekstra niet tegen die journalist kunnen zeggen dat wij niet geïnteresseerd zijn in dat stuk?', werd toch besloten het verhaal bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) te verifiëren en zijn oordeel daarover te vragen.

Bij het RIOD (nu NIOD) werd de authenticiteit van de persoon Soltikow, en derhalve het gezag waarmee hij het stuk had kunnen schrijven hoog aangeslagen. Nog voor het RIOD en vervolgens de dienstleiding hadden besloten wat aan de betreffende agent geïnstrueerd zou moeten worden (dat duurde te lang), heb ik hem gemeld dat hij zijn Duitse vriend maar moest bewegen van publicatie af te zien. De ter beschikking gestelde kopie heeft hij niet terug gekregen. Het stuk is overgedragen aan het RIOD, bevindt zich thans nog in de archieven van het NIOD en is daar ter inzage voor belangstellenden.

Prof. dr. L. de Jong, directeur van het RIOD, heeft op 21 juli 1977 een brief over Soltikow geschreven aan het hoofd van de BVD, mr. P. de Haan. De inhoud van die brief is niet bekend, want anders dan als verwijzing in een volgende brief is hij in het NIOD-archief niet te traceren. De Jong zei desgevraagd zich de inhoud ook niet te kunnen herinneren. Op grond van de brief werd bij de dienst wel de conclusie getrokken dat Soltikow een serieus te nemen bron was. Een andere brief, die De Jong op 5 april 1978 over Soltikow schreef, is gevoegd bij het onderzoek van Van der Voet (ex-directeur RVD) ten behoeve van de open brief van prins Bernhard van 7 februari 2004 in de Volkskrant. Daarin zegt De Jong dat hij tot de slotsom is gekomen dat Soltikow het verhaal over de Abwehr-betrekkingen van prinses Armgard uit zijn duim heeft gezogen (waarop hij die conclusie baseert, vermeldt hij niet). Hij schrijft dat Soltikow de onderliggende verslagen van de gesprekken met de prinses heeft vervalst. Als motief geeft De Jong wraak of mogelijke chantage na de processen die na de oorlog tussen Soltikow en prinses Armgard alsmede prins Aschwin hebben plaatsgehad.

Opmerkelijk is het dat uit het RIOD/NIOD-archief eveneens blijkt dat De Jong op 29 maart 1978 een onderhoud had met prins Bernhard. In die periode bestond er een nogal onvriendelijke briefwisseling tussen De Jong en Soltikow. Een bron bij de West-Duitse dienst, het Bundesamt für Verfassungsschutz (BfV) zou De Jong hebben geïnformeerd dat Soltikow onbetrouwbaar was. De Jong zelf baseert zijn oordeel over Soltikow vooral op diens bewering dat prinses Armgard, voordat zij zich tot de Abwehr wendde, was betrapt op het luisteren naar de BBC. De aanvangstune van de BBC, het V-teken ofwel de eerste drie noten van de vijfde symfonie van Beethoven, zou door de muren heen te horen zijn geweest. Maar de BBC begon pas in juni 1942 met het gebruik van dat herkenningsteken. Het weerwoord van Soltikow dat het antedateren van zulke feiten bij de Abwehr gebruikelijk was om zo iemand uit de handen van de Gestapo te redden, maakt geen sterke indruk. Maar evenmin lijkt die onjuistheid in het verhaal van Soltikow voldoende te zijn om al zijn beweringen naar het rijk der fabelen te verwijzen. Soltikow voerde een zekere Von Bentivegni, ook een Abwehr-officier, op als getuige van de gesprekken met prinses Armgard.

Verder was volgens De Jong Soltikow een fantast omdat zou zijn gebleken dat hij zijn adellijke titel van graaf niet van geboorte had. Hij zou zich hebben laten adopteren door een hoogbejaarde gravin. Voordien ging hij als Walter Bennecke door het leven. Onder die naam zou hij nog vervolgd zijn wegens oplichting.

In de briefwisseling verwijt Soltikow De Jong dat deze hem monddood wilde maken door de publicatie van zijn artikelen te torpederen. De Jong krijgt kennelijk de schuld van 'mijn' BVD-actie. Maar Soltikow is in de loop van 1978 ook getuige van een telefoongesprek van De Jong met een uitgever in München, waarin De Jong Soltikow een vervalser noemt.

Van de gerechtelijke stappen waarmee Soltikow hierna schriftelijk dreigde, is niets terechtgekomen. Tot die tijd had Soltikow zich beroemd op de positieve 'recensie' die hij van De Jong kreeg in deel 2 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Naar aanleiding van het ontdekken van Oster als bron van informatie voor militair attaché Sas, die op 9 mei 1940 over een open lijn de invasie van de Duitsers aankondigde, schrijft De Jong:' Had de betrokken officier, dr. Michael Graf Soltikow, zijn eigen leven niet in de waagschaal gesteld door, na overleg met admiraal Canaris, het resultaat van zijn onderzoek in de doofpot te stoppen, dan zouden Oster en diegenen met wie hij in persoonlijk contact stond, al in de zomer van 1940 hun leven verspeeld hebben.' Ook in een brief van De Jong aan Soltikow uit 1969 laat hij zich nog zeer positief over hem uit.

De artikelenreeks van Soltikow zelf is nooit gepubliceerd. Later heeft Klinkenberg in zijn boek over Bernhard (1978) wel geciteerd uit gesprekken met Soltikow. Die citaten dekken goeddeels de inhoud van deze artikelen, evenals een serie artikelen in Vrij Nederland in 1980 van de voorheen communistisch/trotskistische auteur Igor Cornelissen. Ook heeft de graaf zelf een boek het licht doen zien: Ich war mitten drin.

Aan de publicaties van de hand van Wim Klinkenberg en Igor Cornelissen is relatief weinig aandacht geschonken. Wellicht was de communistische oriëntatie van de auteurs aanleiding de verhalen niet al te serieus te nemen. Het is verder verbazend hoe de analyse door Gerard Aalders, medewerker van het NIOD, in zijn boek Leonie (over het leven van intrigante en beweerde dubbelspionne Leonie Brandt), van de 'stadhoudersbrief' die Bernhard in 1942 aan Hitler of volgens anderen aan Himmler zou hebben geschreven, in de pers werd weggehoond of genegeerd. En dat terwijl hij alleen maar een reconstructie geeft van al wat er sedert 1945 over die brief bekend is geworden en concludeert dat alleen het opduiken van de brief zelf uitsluitsel over het bestaan kan geven. De aanval op Aalders in de open brief van prins Bernhard is dan ook moeilijk te begrijpen. Zo ook felle afwijzende telefonische reactie van 'Soestdijk' op het optreden van Aalders in het programma Barend en Van Dorp (oktober 2003) naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek.

Als klopt wat Soltikow schrijft over de aspiraties van prins Bernhard om na de bezetting van ons land door de Duitsers 'Reichstatthälter' te worden, dan zou al voordat de in 1942 gedateerde omstreden 'stadhouderbrief' van Bernhard aan Hitler of Himmler zou zijn geschreven, sprake zijn geweest van deze positie voor de 'Duitsgeboren prins' en 'vereidigter ss-Mann des Führers', zoals Soltikow prins Bernhard in zijn artikelen met nadruk noemt.

Volgens Soltikow was bij Hitler en Von Ribbentrop die ambitie van Bernhard in 1939-1940 bekend. In dat geval zou hij in april 1942 die 'stadhoudersbrief' niet hebben hoeven te schrijven, tenzij als herinnering aan de eerdere, niet nagekomen afspraak.

Dit feit werpt, als het zo is gegaan, ook een merkwaardig licht op de verdediging tegen de aantijging over de stadhouderbrief in de open brief van prins Bernhard in de Volkskrant van 7 februari 2004. Daarin noemt hij die aantijging onzinnig, omdat op 26 april 1942 al duidelijk geweest zou zijn dat de Duitsers de oorlog zouden verliezen. (Volgens mij was dat overigens pas na Stalingrad, een winter later.) Zegt de prins hiermee impliciet dat die stadhouderaspiratie in 1939-' 40 allerminst onzinnig was?

Hoe dit alles zij: misvatting bij pers en publiek, maar ook bij sommige historici, over de rol van de BVD met betrekking tot het Koninklijk Huis wordt wellicht veroorzaakt door onbekendheid met de rol van een staatsveiligheidsdienst in een moderne democratie. Anders dan in totalitair, dictatoriaal of anderszins niet democratisch bestuurde staten, wordt de bescherming van de zittende macht in een democratie niet tot de voornaamste taken van de staatsveiligheidsdienst gerekend, en zeker niet de bescherming van die regerende macht tegen oppositionele groeperingen. De dienst was en is er voor het beschermen van het systeem, niet van de zittende macht, wel van de democratische rechtsorde, inclusief het democratisch proces dat oppositionele minderheden in staat stelt en de middelen verschaft om naar regeermacht te streven, zolang daarbij de spelregels van de democratie en de rechtsorde als zodanig worden gerespecteerd.

In contacten met de D66-fractie in de Tweede Kamer werd mij in 1981 door een Kamerlid gevraagd hoe ik als democraat bij een geheime dienst kon werken. Welnu, dáárom, dus.


quote sluiten


VIDEO Denkcafé: De geheime dienst van Nederland met o.a. Frits Hoekstra:




"In dienst van de BVD" is alleen nog tweedehands te verkrijgen bij o.a. Bol.com
ISBN: 9789085060239

Zie ook:





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander