Pro Republica  republiek republikanisme AERM logo
 
Voorpagina Archief Leo Brabanticus Media-archief Boekbesprekingen Contact Links Zoeken Colofon rss Favoriet Disclaimer    
 

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.


Translate this page

Stuur dit artikel door    print-vriendelijke-versie
  
Zeewees
herman frank, 27 juli 2011

Ooit schreef ik ZEEWEES, een verhaal waarin ik mijzelf plaatste in en om 1600, op een zeilschip naar OOSTINJE. Dit is het laatste hoofdstuk.

1672
Het werd onrustig in stad en land. De scheiding der geesten zette zich door en escaleerde tot hardhandig treffen.
De handel stagneerde. Langs alle landsgrenzen droeg het gevaar ijzeren rokken.

De grensgebieden leden onder de voortdurende dreiging van het soldatenvolk. Huurlegers die net zo snel van uniform konden wisselen als een komediant van toneelkostuum. West-Duitse legergroepen trokken stelend en brandschattend rond aan beide zijden van de grens en bezochten keer op keer de steden en het platteland. Frankrijk dreigde tot tweemaal toe met oorlog. Engeland zocht, zoals altijd, de strijd op zee. De retourvloot uit de verre Oost en de schepen die graan en hout uit de Oost landen haalden werden herhaaldelijk lastig gevallen en opgebracht als prijsschip. De vissersvloot werd dagelijks leeggeroofd. De Hollandse ziekte stak de kop op, chronische tweedracht. De altijd maar weer oplaaiende strijd tussen de staatsgezinden en de prinsgezinden, als kemphanen tegen over elkaar. Zij betwistten elkaar de wijsheid van regeren. De Regenten en kooplieden dachten alleen aan eigenbelang. Zij, de bovenkant, aten het verdiende brood, de korsten waren voor de middenmoot en kruimels voor de onderkant. Zij wilden de Gilden en het grauw dat meevrat van de tanende handel aan zich binden. Zij vonden de Calvinisten, de kerk en de Oranjes tegenover zich. In Den Haag werd het toneelspel in het openbaar verboden.

Hij kon in zijn eentje zijn gang nog gaan, al liepen de aanvragen wel terug en als hij in een stad toestemming vroeg om te mogen spelen, dan waren er veel barrières te nemen of ze werden ter plaatse bedacht om hem het spelen te beletten. Zijn goede naam en papieren, getuigenissen door mensen van goede naam en faam, ja zelfs van vorstenhuizen bezorgden hem meestal toestemming om te spelen maar…, en dan kwamen de restricties: 'de voorwaarden die in acht dienden te worden genomen, op straffe van, enz. enz. enz.' Het liefst zat hij thuis, schreef aan zijn overdenkingen en filosofieën. Hij hield zich nog steeds bezig met de vraag wat er het eerst was: de idee, de gedachte of het woord.

Het was voor hem heel belangrijk, het had te maken met zijn vak. Hij schreef al een hele tijd zijn verhalen met een kleine letter. Hij had geen tijd voor hoofdletters en leestekens, die stonden zijn schrijven in de weg. Kreeg hij een ingeving en wilde hij die dan opschrijven volgens de regels der schrijfkunst, dan was het idee tijdens het schrijven al weer half vervlogen omdat hij zich onledig moest houden met randverschijnselen zoals leestekens. Zijn gedachten gingen sneller dan hij kon schrijven. Tussen het bedenken en de pen in zijn rechterhand ging zoveel moois verloren, die afstand was eenvoudigweg te groot. Soms, als er een idee bij hem opkwam en hij niet bij machte was, of gewoon geen tijd had om het direct op te schrijven en dit uitstelde tot de volgende dag, was dat idee al weer vervlogen, vergaan. Soms dacht hij het hele leven en de wereld in een flits te kunnen doorzien maar bij het schrijven verging het tot oude mannen gemompel. Zo ontglipten hem juweeltjes aan gedachten en zinnen. Het geheugen was onbetrouwbaar geworden. Namen bij gezichten verdampten en steeds vaker moest hij zoeken naar een woord.

In de ochtend, vlak voor het opstaan of net daarna, was hij duizelig en moest hij even gaan zitten om weer op verhaal te komen. Niet alleen zijn geest maar ook zijn lichaam liet hem beetje bij beetje in de steek. Hij groeide er langzaam naar toe, net zo langzaam als hij nu liep. Langzaam ging zijn lopen over in slenteren en van slenteren in sloffen. Hij ging niet meer in op aanbiedingen. Hij had genoeg kapitaal gespaard om het schraal uit te zingen. Zijn dochter kwam nu regelmatiger langs, deed wat boodschappen en voor zij weg ging dronken zij samen zijn warme drank van getrokken mint en brandnetel en praatte over wat teloor ging, pasten wat stukjes bijeen en kwamen soms tot een duidelijker beeld van wat er ooit tussen hen was. Daarna ging zij weg en hij naar bed. Hij probeerde haar portret af te maken maar zijn vingers konden niet meer, zoals vroeger, met een wirwar van lijnen een tekening boetseren. Dat lag niet aan zijn vingers maar aan het systeem in zijn kop, dat was van slag. Soms bleef zijn penseel of pen besluiteloos hangen boven het papier. Van het turen gingen zijn ogen tranen en de tranen die op het papier vielen vermengden zich daar met de verf. Hij moest snel zijn want de zouten in zijn tranen vraten zich in het papier en sommige vlekken waren niet weg te werken. Het was of ze het verleden vertegenwoordigden, het tranendal waar hij en zijn dochter doorheen waren gegaan.

Hij werd oud en was gedoemd tot het derde deel van het raadsel dat de Sfinx in de 'Oidipoes' opgeeft: 'en gaat in de avond als drievoet voort.' Hij liep nu met een stok. Hij maakte nog wel lange wandelingen in het bos. Dan nam hij wat brood met een stuk kaas en een kruik water mee en sjokte tussen de bomen op zoek naar een stille plek. Daar zette hij zich dan neer en genoot. Zo ook die dag, een te warme dag in de vroege zomer. De zon klaterde tegen het jonge groenachtig geel aan de takken. Hij zocht de schaduw van de bomen en de koelte van een briesje in de luwte van het bos. Hij bereikte een open plek door struiken omsloten. Hij ging daar zitten onder een boom en zag de wereld aan. Tussen de bomen schitterden de ramen van het Ridderhof. Om hem heen een bloemenweelde. De doordeweekse gele paardenbloem en de nuffig hoog gesteelde margrieten zorgden voor een veld van louter schoonheid. De zon stond op zijn hoogst en de vogels zwegen nu. Een duizeling deed hem overeind schrikken, er trok een waas langs zijn ogen en verdween weer net zo snel als het was gekomen. Hij haalde diep adem en nam een slok water, daar knapte hij even van op. Zonder dat hij het zelf besefte zakte hij weg.

Alle vormen liepen nu vaag over van het een in het ander. Kleuren werden nieuwe kleuren maar vergingen langzaam naar tinten van grijs. Uit vormen groeiden andere vormen, vormeloos. Hij hoorde een stem en daarna meerdere stemmen, de stemmen verstomden. Zijn mond hing open en zonder het te beseffen droop er speeksel langs zijn lippen naar omlaag. Hij voelde zich lodderig, vreemd alsof hij door fijnmazig gaas was omwonden, zijn mond werd dicht gepropt, het ademhalen werd hem moeilijk. Hij besefte niet dat het niet goed met hem ging. Alles ging vertraagd. Tientallen flarden van gedachten vlochten zich in elkaar, tijdperken van leven zochten een uitweg, maar zijn mond, zijn stem, weigerde dienst. In zijn maag voltrok zich een grote leegte die daarna werd gevuld met een steen. Hij dacht in korte afgebroken brokken. Denksels van hout kwamen in hem op. Teksten uit verhalen die hij al bijna vergeten was. Hij liet zich achterover vallen op het gras en rolde om. Kwam langzaam op zijn knieën en viel weer terug. Hij ademde diep, raakte weg, kwam weer bij en zakte dan, als lijkt het voorgoed, in een eindeloze, zacht gekleurde schacht. Hij wiegde als een blad dat in een vijver naar zijn onbestemde bodem zinkt.

Zijn hoofd, 'mijn hoofd', denkt hij, voelt pijn. Een scherpe geniepige pijn scheurt zijn hoofd in tweeën en hij komt langzaam bij. De wereld heeft zich verdraaid en hangt scheef voor zijn gezicht. Als hij zijn hoofd met dit beeld mee buigt gaat alles nog schever staan. Zijn mond heeft het begeven, hangt net als de wereld scheef in zijn gezicht, de linkerkant omlaag. Het is of zijn hele linkerkant vrijaf heeft genomen en niet meer mee wil doen. Verdwaasd kijkt hij om zich heen. Hij weet niet waar hij vandaan komt of naar toe moet. Hij zit en wacht. Nee, zelfs dat doet hij niet. Hij beseft niet wat hij doet, hij is een vreemdeling verdwaald in een vreemd decor, niets heeft meer een naam. Wat eerst een boom was, is nu een obstakel, een naamloos obstakel. Alles is obstakel en fungeert niet meer, zoals het vroeger fungeerde. Toonbeelden van schoonheid of ontroering, punten van herkenning om de weg terug te vinden zijn vergaan tot onbegrijpelijke, angstaanjagende, onzinnige en onverstaanbare dingen. Alleen het moeizame ademhalen gaat automatisch. Hij richt zich half op en sleept zich op goed geluk en zonder enige drijfveer een richting in. Hij kruipt, sleept als een slak zonder huis in het rond. Aan de rand van een veld valt hij weer neer. Hij huilt, loopt snikkend leeg, zonder dat hij weet heeft dat hij huilt en leegloopt. Hij laat alles gaan zonder de ontluistering te beseffen. Dan is het of zijn hoofd ontploft. In zijn hoofd zijn rode explosies en dat verdooft alles, hij valt in een verlammende slaap.

Later werd hij door een ruiter gevonden en naar het gasthuis gebracht. In één van zijn zakken vond men een adres. Een chirurgijn herkende hem als de toneelspeler van de Hooygracht. Na een dag kwam hij weer bij en na een week ging hij weer naar huis. De buurvrouw en zijn dochter verzorgden hem om beurten. Hij krabbelde weer overeind. Hij leerde weer praten, af en toe schreef hij nog. Hij leerde weer lopen en met twee stokken schoof hij, scheef als een krab, weer over straat. Hij merkte dat het gistte en borrelde in de stad. Zijn buurman Isaac Knook, die als de clownsfiguur 'Pekelharing' optrad in kluchten, praatte hem bij. Hij vertelde Mos hoe de politieke zaken ervoor stonden. Er werden zondebokken gezocht voor de falende economie, de ongerechtigheden die maakten dat de wereld niet draaide volgens de wensen der Oranjes. In de broers De Witt werden zondebokken gevonden. Mos had nu de tijd, al had hij weinig tijd meer, om rond het huis en op het Voorhout tot aan de Gevangenpoort wat rond te scharrelen. Hij knoopte gesprekken aan met iedereen, verviel soms in langdurig zwijgen, dan trokken beelden voorbij die hij moest plaatsen en rangschikken. Soms was zijn brein nog warrig in de war. Herinneringen waren door de schok in het bos, in de verkeerde volgorde of maar half teruggekeerd. Voor de rest was hij weer helder en soms zelfs erg helder. Op één van deze dagen, die voor hem eigenlijk allemaal hetzelfde waren en in niets verschilden met de dag ervoor of de dag die nog komen zou, zat hij op de rand van de pomp op het Voorhout. Hij zat de meiden die water haalden danig in de weg. Hij spotte wat met ze, deed aanhalerig alsof ie twintig was en de meiden speelden het spel met hem mee. Hij speelde met de gedachten ergens iets te gaan drinken maar het zitten beviel hem wel, dus waarom zou hij. De mensen kenden hem van vroeger of van het beeld dat hij van zichzelf had geschapen, door hier op het Voorhout, dag in dag uit aanwezig te zijn. Een wat vreemde oude man die met woorden hard uit kon halen of een grap plaatste en de meiden die water haalden lastig viel. Die plotseling vanuit het niets kwaad kon worden op zichzelf en zijn omstandigheden. Die de hele wereld en alle bedachte goden vervloekte om de pijn die hij ervoer en zag. Soms dommelde hij op dit plekje in en wakker schrikkend besefte hij dat hij nog bestond. Er passeerde hem nu een man van wie hij het gezicht herkende maar de naam hem ontschoten was, die naam lag op de bodem van de put van zijn herinnering. Hij riep, 'Hé, jij, Rotterdam?' De man stond stil en kwam naar hem toe. 'Ik ken jou wel', zei hij, 'jij bent van Rotterdam, jij bent, jawel, jij bent de tegelbakker! Jij ontkomt mij niet mooie mijnheer. Mijn hemel man, Rotterdam, de wereld was van ons, wij eigenden hem ons toe, wij zouden het wel weten. Veranderen moest hij, de wereld en de mensen.' Een niet te stuiten stroom van woorden kwam los. Eén brok verleden op toon gezet en ingedeeld in een los lijkend verband maar met de rode draad van een diep weggestoken grote haat/liefde voor die stad. Hij viel stil en ijlde nog na: 'ja, jij, jij bent…?' 'Oudaen', vulde de man naadloos aan. 'Oudaen'. Hij wist het weer. 'Ken je me niet meer, Oudaen? Ik ken jou wel, jij schreef gedichten en pamfletten, jij schreef toneel, ja jij bent Oudaen de tegelbakker.' De man ging naast hem zitten en zag zijn lichte verwardheid aan. 'Ja, ik ben Oudaen en jij, waar moet ik jou van kennen?' 'Van Pieter, ik zong met Pieter, in de kroegen'. Mos. Mos Vrancken!? Hij barst in tranen uit. 'Dat is godnondeju zo lang geleden, ken je me niet meer. Mos ben ik, Mos, Mos de zanger, zo werd ik genoemd, ik zong en speelde toen op Delfshaven. Jij was daar ook, tussen het volk, wij, Pieter, jij en ik, wij en de anderen en Geesje.' Hij zweeg en keek de man lang en indringend aan en hij vervolgde meer voor zichzelf dan voor de ander. 'Toen kwam Mijndert en de molen, of liever ik kwam bij hem. Later kwam de kermis, toen ben ik met William mee gegaan… en nog veel later 's-Gravenhage, poel van politiek gekonkel maar weldadig gelegen aan zee.' Hij holderdebolderde door zijn verleden, met horten en stoten het verhaal van zijn leven. 'Jij schreef'. Hij schrok. 'Ja, jij schreef opstandig, Oudaen, tegendraads, tegen de schreef.' Dan vertelde hij over mijnheer Jillis die hem meenam naar het Binnenhof om Van Oldenbarnevelt te gedenken en dat hij ieder jaar die bedevaart herhaalde en dat hij de naam Vrancken had aangenomen als eerbetoon aan de knecht van Van Oldenbarnevelt vanwege zijn dienstbaarheid aan zijn meester en dat het woord zijn meester was en hij immer dienstbaar wilde zijn aan het woord. Oudaen nam naast hem plaats en greep zijn hand, drukte die zacht. Zijn warme stemgeluid omvatte hem, drong diep tot hem door en spoelde herinneringen los, hij herkende de stem zoals hij het gezicht had herkend. Bijna fluisterend sprak de man in heldere klare taal en zinnen. 'Ja, Mos de zanger, ik heb nog weet van jou. Je bent van buiten veranderd maar van binnen nog hetzelfde neem ik aan.'

Oudaen vertelde: 'Zie je dit stokje? Het helpt mij de laatste schreden te zetten op mijn levenspad. Dit stokje was van hem, van Van Oldenbarnevelt, een relikwie. Ik kom net aan vanuit Rotterdam en zoek onderdak voor de nacht. Het gaat er om spannen, Mos. Er moeten koppen rollen en geloof mij, dat gebeurt eerder vandaag dan gister. De Oranjes laten zich niets gezeggen en die hebben een zaak aangespannen.' Hij ging er vanuit dat Mos, net als hij, voldoende op de hoogte was van de politieke toestand. Hij behandelde hem als een gelijke en Mos wist wel het een en ander. Hij voelde zich weer strijdbaar, hij ging wat rechter zitten, werd weer voor vol aangezien en dat deed hem goed. Oudaen verwoordde wat hij dacht en al jaren had gevoeld. Mos nam hem mee naar huis en de lange avond en de halve nacht zaten zij dicht bijeen en vertelde elkaar fluisterend over hun leven. De volgende dag gingen ze al vroeg op pad. Onder het lopen ging Oudaen verder met zijn verhaal: 'Het wordt een harde dag vandaag. Ik kwam uit Rotterdam, omdat ik meer weet, voorvoel, dan een ander. Ik weet en voorvoel wat er vandaag gebeuren gaat. Ik wil getuige zijn, om het later, voor later, neer te schrijven.' Hij keek omhoog en wees .'Zie daar die twee ooievaars, ze vliegen al vanaf de vroege morgen boven de stad. Ze draaien cirkels boven Buiten- en Binnenhof, als gieren vliegen zij rond. Zij brengen onheil mee en zeggen ons dat aan. Deze twee wachten en azen op bloed en afval. Geloof mij vriend, zij krijgen vandaag meer dan hun loon voor het lange wachten.' Vanuit de Denneweg kwamen groepjes mensen aangehold. Zenuwachtig schreeuwend trokken zij richting het Groene Zoodje. Oudaen vervolgde: 'Van Oldebarnevelt was ooit het slachtoffer van de machtsstrijd tussen Oranje en de Republiek. Hij was de zondebok die sterven moest om Maurits meer armslag te geven. Ook nu wil een Oranje weer alle macht maar hij vindt de Republikeinse regenten tegenover zich. De situatie voor land en volk zijn hachelijk. Van alle kanten dreigt gevaar, de Duitsers, de Fransen en de Engelsen. Financieel gaat het niet voor de wind. Dan moet er een schuldige zijn en die moet worden gevonden. Het opgekropte gevoel dat het volk razend, radeloos en redeloos maakt en dat zich zo reddeloos voelt, zoekt zich een uitweg. Zij worden opgehitst door de grote macht achter de schermen, die huren stromannen in. Cornelis de Witt is nu de zondebok, hij krijgt het zwaar te verduren, Johannes heeft zich al eerder teruggetrokken van enig ambt. Oranje weet zich gesterkt door de Protestanten en het volk.' Van alle kanten kwamen mensen toegestroomd. Een opgewonden meute die bloed rook; schreeuwend wat anderen schreeuwden liepen zij die anderen na. Een voorgekookt zootje rapaille, zonder enig besef van zaken. Cornelis de Witt moet geofferd, als wraakoffer, dan zou dit schreeuwende volksgeweten zijn zin hebben, zou de kerk gerustgesteld zijn, de rust zou dan ogenschijnlijk weerkeren en Oranje zou verder kunnen wroeten naar de absolute top.

Nu reden er op volle snelheid twee koetsen voorbij. 'Kom vriend, sta op, wij gaan een hortje verder en lopen langzaam langs de vijver naar de plaats des onheils.' Moeizaam stond Mos op en scharrelde achter Oudaen aan. Tot aan de Gevangenpoort stond het zwart met volk, dat schreeuwde en loeide, en de echo tussen de bebouwing en over het water verdubbelde dit verbaal geweld. Ze rukten en trokken en duwden elkaar voor- en achteruit. Het volk was door het dolle heen, het zweepten zichzelf op met leuzen, scandeerden schandelijke verwensingen naar de gebroeders De Witt, kregen onderling mot en sloegen om zich heen. Bloed vloeide. Bloed dat schreeuwde om bloed, om wraak. Hoog boven de menigte draaiden de ooievaars nog steeds hun lugubere kringen. Oudaen en Mos raakten verstrengeld in de kolkende massa en werden een richting uitgedreven, door schouders van anderen gedragen. Rond de Gevangenpoort kolkte de waanzinnige menigte op golven van haat. Opgehitst door oproerkraaiers was veel volk samengestroomd op het Groene Zoodje, waar de wipgalg stond. Hoge functionarissen liepen zenuwachtig heen en weer tussen Binnenhof en de poort. Het grauw liet van zich horen en drong steeds meer op richting Gevangenpoort. Men eiste recht en het hoofd van Cornelis de Witt. Er waren meer burgerwachten en schutters op straat dan normaal, veietsel paardenvolk. Iedereen was zenuwachtig, er werd tegen het volk geschreeuwd, ze werden weggedrukt van het Buitenhof, daar waren er al veel op de been, volk van buiten, opgetrommeld door de aanstokers.

Cornelis de Witt was min of meer vrijgesproken van hetgeen hem ten laste werd gelegd. Hij had volgehouden niets van een aanslag op de Prins te weten, noch zoiets te hebben voorbereid. De barbier Tichelaar uit Piershil had hem daarvan beschuldigd. In een persoonlijk gesprek zou Cornelis tegenover hem over zoiets hebben gerept. De Witt werd gevangen genomen en vastgezet in de Kastelnij op het Binnenhof. De rechters twijfelden aan zijn onschuld en lieten hem overbrengen naar de Gevangenpoort. Daar onderging hij ondervraging onder tortuur, hij kreeg scheenschroeven aan. Toen dat niet hielp werd hij aan zijn ruggelings gebonden armen opgehesen aan de palije. Hoewel getuigen onderschreven dat Cornelis de Witt en de barbier Tichelaar elkaar kenden bleef De Witt ontkennen. 'Scheur mij uiteen, jullie krijgen nooit uit mij wat er niet in zit,' was het antwoord van De Witt op de martelingen. Verbanning wegens meineed was de uitspraak van het Hof. De Witt had Tichelaar moeten aanklagen vonden de rechters, omdat deze hem aangeboden had de Prins van Oranje te vermoorden. Dat dit alles pure uitlokking was geweest was genoegzaam bekend. De kleding van Cornelis was gescheurd en met bloed besmeurd. Men had met verdraaide hand een briefje naar zijn huis gestuurd om zijn ouders te verwittigen van de uitkomst van het proces en zijn broer te vragen hem op te komen halen en wat schone kleren mee te nemen.

Johan kwam in een koets aangesneld en werd, lopend van de koets naar de Gevangenpoort, bijna gelyncht. De hond van De Witt, die in de koets zat, werd door één van de kerels uit het volk met een mes van onder tot boven opengehaald. Het volk drong nu nog meer op en belegerde het gevang. De burgerwacht had moeite de menigte buiten de poort te houden. Om een wat rustiger moment af te wachten verdeden de broers hun tijd met lezen. Cornelis, die zich had omgekleed en zich wat had opgeknapt, las een toneelstuk van Corneille en Johan bladerde wat in de Bijbel. Het rumoer van buiten drong door de dikke muren en vensters binnen. Plotseling kwam het bevel voor de burgerwacht en schutters om zich te verzamelen en op te trekken tegen boeren uit het Westland, die naar de stad zouden zijn opgetrokken. Dit alles was bezijden de waarheid. Iemand, wie wist niemand, had opdracht gegeven om de weg voor de muitende meute vrij te maken. Deze hadden nu vrij spel. De Gevangenpoort en de gevangenen waren onbeschermd en de woedende, gillende menigte drong zich naar binnen. Mos en Oudaen stonden nu nagenoeg vooraan en keken stomgeslagen en met kinderlijke verbazing en ongeloof naar wat zich voor hun ogen afspeelde.


De twee broers werden naar buiten geslagen, letterlijk geschopt en gesleept en de kleding van het lijf gerukt. Op het Groene Zoodje stonden zij nagenoeg naakt en aangeslagen en keken uit over de verhitte hoofden. Een hees hysterisch gillende vrouw wierp zich op de beide mannen en speelde met minachting een vuil spel met hun geslacht. Krijsend sloeg ze de daarna op de mannen in. Ze werd weggetrokken en ene Dirk Verhoeff schreeuwde tegen het aan golvende, door woede gedragen geschreeuw van de menigte: 'Ik zal niet rusten voor ik de harten van deze verraders op het bordje van de Prins heb neergelegd.' Dat scheen het sein. De vrouw werd van het schavot geveegd en men stortte zich op de beide broers. Cornelis werd neergestoken en bijna dood getrapt. Van overal uit zijn lichaam stroomde bloed. Johan verzette zich en schreeuwde in onmacht het op bloed beluste volk toe. Zijn stem werd hardhandig gesmoord door stokslagen. Iemand schoot met een pistool in zijn nek, hij klapte dubbel. De nog levende en trillende lichamen werden ondersteboven aan de wipgalg gehangen en toen begon het snijden. De zwaargebouwde Verhoeff nam het voortouw. Eerst werden zij ontmand, de delen wierp men in het publiek en die werden met graagte opgevangen. Er werd mee gespeeld en heen en weer geworpen totdat de vrouw die eerder op het schavot stond, er hysterisch mee rondliep, weke delen bloedend bungelend, uit haar mond. De ogen van beide broers werden onder luid gejuich langzaam uit de kassen getild en weggegooid. Nog even lichtten zij in het zonlicht op en werden daarna vertrapt. Mos hing nu tegen anderen aan, sprakeloos. Oudaen riep tegen de verdrukking en het lawaai in: 'Dat het stoppen moest', maar alles dat werd gezegd of geschreeuwd werd voor aanmoediging aangenomen. Hij liep rond, tegeietsn beter weten in, om dit alles, deze waanzin te stoppen en raakte zo van Mos verwijderd. Verhoeff sneed tongen af en daarna de hoofden. Met een paar snelle sneden sneed hij de nekken los van de romp en met een droog gekraak draaide hij de nekwervels af. Er waren er die hun handen onder het stromend bloed hielden om dat op te vangen en het daarna op te drinken. Dat bloed maakte de menigte gek. Men wist niets anders te doen dan een kinderlijk balspel met de hoofden te spelen. Die vlogen over en weer en spatten iedereen met bloed. Men zoog zelfs de aderen uit, sloeg de koppen aan de haren tegen de grond zodat de schedels krakend braken. Alsof het een weloverwogen plan was, zo ging de slagers te werk. Het werd een bijna religieuze slachting. Van onder tot boven sneed men de broers open, trok de darmen en de organen uit de lichamen. Iedereen wilde zichwat toe-eigenen. Iemand schreeuwde om vuur zodat men het vlees kon stoven en roosteren. Men vocht om de darmen en de andere organen. Zette overal de tanden in. De armen en benen sneed men van de rompen af. Tenen en vingers trok men van de resten af. Met bloed besmeurd en met stukken darm omhangen danste het volk als in processie langs de vijver, met voorop Verhoeff met in iedere hand een hart. Een enkeling trok nog vlees van de ribben af.

Mos stond verslagen, huilend, niet begrijpend tegen het muurtje van de vijver aangeleund. Deze wereld was niet zijn wereld, hij wilde ergens anders zijn. Hij draaide zich om en greep zich aan het muurtje vast. Hij keek over de vijver en zag dat meeuwen zich hadden meester gemaakt van delen vlees. De twee ooievaars waren ook neergestreken en deden zich nu tegoed aan de resten van de lichamen, die nog vastgebonden aan de wipgalg hingen, doelloos, zinloos. Mos was van de wereld, alles draaide, zijn maag keerde zich als protest om en een golf van gelig vocht stortte in het water. Bijna zeeg hij ineen maar een hand hield hem tegen. De hand verdween en hij voelde dat hij ging vallen, voorover in de vijver. Voor de laatste maal kwam er een golf braaksel omhoog. Zoals een vogel zijn vleugels strekte om te gaan vliegen, zo sloeg hij zijn armen uit. Door de maagkramp die hem trof sloeg zijn bovenlichaam eerst achter- en toen voorover. Dat gaf hem de snelheid totzijn laatste val. Met een klap sloeg hij voorover. Het braaksel sloeg terug in zijn gezicht en hij viel. Het was of hij middenin zijn val vertraagd bleef hangen. In luttele seconden werd alles dat hij had meegemaakt zichtbaar.

Hangend in een restje tijd
Starend in het water
Liet hij de angst en de wereld achter zich

Zag in het water zijn gezicht naderbij
Het water dat hem omsloot
Dronk hij met volle teugen

Hij ademde water
Sissend doofde zijn vlam
Een allerlaatste gedachte

Een helder ogenblik (De kaarsvlam van zijn ziel gloeit nog even op)
Hij dacht

Ik was niet meer dan een idee
Een uitgesproken gedachte

Ik was niet meer dan een woord
Zeewees.

Den Haag 07-07-2009

Met dank aan: Google, de logboeken van Bontekoe, de geschriften van Oudaen en 'Warenar' van P.C. Hooft mij toegezonden door E.M.P. van Gemert en alles wat ik ooit heb gelezen gezien en gehoord en heb opgeslagen ter overleving op deze planeet deze kloot die door het heelal heen suist in het niets op weg naar niets.

hf





ProRepublica doet haar uiterste best om alle rechthebbenden van tekst- en beeldmateriaal
gebruikt op deze website te achterhalen en te vermelden. Eventuele rechthebbenden die niet
vermeld zijn kunnen zich wenden tot ProRepublica. Waar gebruik is gemaakt van materiaal
van derden hebben wij getracht te achterhalen bij wie de rechten liggen volgens de
wettelijke bepalingen. Desondanks kan het voorkomen dat het materiaal niet voor publiek
gebruik is vrijgegeven. Uiteraard zullen wij dit materiaal op verzoek zo snel mogelijk
verwijderen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Reageren? Momenteel is het door een technische storing niet mogelijk te reageren. Hier wordt aan gewerkt. 
Wel is het mogelijk via email te reageren. Excuses voor het ongemak.
Om te reageren klikt u HIER.
republiek republikeins koningin beatrix monarchie vs republiek rijks voorlichtingsdienst prins willem alexander